Indonesië kan spanningen niet aan

Nu de doden zijn begraven, bezoekt de Indonesische vice-president Midden-Kalimantan. President Wahid moet eerst naar Mekka. Politie noch politici weten raad met de spanningen.

Nu de rook van brandende huizen in de houthaven Sampit en de provinciehoofdstad Palangkaraya is opgetrokken en de doden zijn begraven, is de kust veilig voor hoog bezoek. Vice-president Megawati Soekarnoputri kwam vandaag, elf dagen nadat inheemse Dajaks hun bloedige campagne begonnen tegen Madoerese immigranten, poolshoogte nemen in Midden-Kalimantan. Om haar gesprekjes met Madoerese vluchtelingen in Sampit te beveiligen, waren 15 compagnieën politie en 4.000 militairen op de been gebracht. Indonesië blinkt uit in vlekkeloze ceremonies, maar faalt in crisisbeheersing, en dat is maar één les uit de jongste humanitaire tragedie.

Rellenbestrijding behoort in Indonesisch Borneo kennelijk niet tot het repertoire van de politie. Volgens menige deskundige had gedecideerd optreden, al was het maar met waarschuwingsschoten, vorige week honderden mensenlevens kunnen sparen. Maar de politie was nergens te bekennen toen de razernij losbarstte. De sterke arm bleek niet alleen doodsbenauwd voor de Dajakstrijders, maar wekte ook de indruk niet rouwig te zijn over het trieste lot van de Madoerezen. Bij het bloedbad dat zondag werd aangericht langs de weg van Sampit naar Palangkaraya, waar gedrogeerde jonge Dajaks 118 Madoerese vluchtelingen afslachtten, nam de politie de benen. Maandag zagen getuigen in Palangkaraya politiemannen ontspannen roken voor hun posten, terwijl de huizen van gevluchte Madoerezen in brand werden gestoken.

Dat uiteindelijk toch weer militairen te hulp werden geroepen, mocht weinig baten. Het bataljon dat uitrukte, werd gelegerd in een andere kustplaats. Dit ,,om verspreiding van het geweld te voorkomen en de vluchtelingen een vrije aftocht te bieden''. Volgens sommige waarnemers bleef het leger passief omdat het in deze tijden van demilitarisering zijn onmisbaarheid wil bewijzen. In Sampit raakten soldaten en politiemannen slaags. Ze liepen elkaar in de weg bij het afpersen van vluchtelingen die in doodsnood scheep wilden gaan.

Sinds de organisatorische scheiding met het leger is het niet langer aan de militairen, maar aan de politie om de openbare orde te handhaven. De socioloog George J. Aditjondro schreef vandaag in The Jakarta Post: ,,De tragedie in Kalimantan bewijst dat de Indonesische politie, nadat ze meer dan dertig jaar in de schaduw heeft geleefd van haar militaire grote broer, volledig onvoorbereid is op haar nieuwe taak.'' In Jakarta en de andere grote steden op Java beschikt de politie over waterkanonnen en traangas, maar in de `buitengewesten' kent ze maar twee reacties op massale onlusten: het vuur openen op de onruststokers of zich haastig uit de voeten maken.

De politiek grossierde dezer dagen in dooddoeners, wees met de beschuldigende vinger naar politieke tegenstanders of stak domweg de kop in het zand. President Wahid vertrok voor een reis naar het Midden-Oosten en Afrika. Ondanks aandringen om zijn reis af te breken en het land zijn bekommernis te tonen, zei Wahid dinsdag in Kairo: ,,Ik vind het noodzakelijk om deze reeks bezoeken voort te zetten en straks de bedevaart naar Mekka te volbrengen. De chefs van leger en politie melden dat de situatie volledig onder controle is. De neiging bestaat om het geweld buiten proporties op te blazen.''

Munir, voorzitter van het Comité voor vermiste personen en geweldslachtoffers: ,,Het apparaat liet de meute begaan en dat is een ernstige zaak. Nog ernstiger is dat er geen landelijk beleid is voor crises als deze. Het ontbreekt aan een nationale agenda voor de aanpak van interetnische en interreligieuze spanningen.'' Deze sociale springstof krijgt dan ook niet de aandacht die zij verdient. In december rapporteerde het Dajakinstituut in Midden-Kalimantan al aan Jakarta over symptomen van een naderende explosie. Daar is niets mee gedaan, want president en parlement voerden hun eigen mini-oorlog.

Munir plaatst nog een vraagteken: ,,Wie bekreunt zich over terugkeer van de Madoerezen? Zij hebben het recht om buiten het arme Madoera een bestaan op te bouwen en dat recht dient gewaarborgd.'' Hierover debiteert `Jakarta' slechts gemeenplaatsen. Wahid zei in Kairo: ,,Geen enkel stuk Indonesisch grondgebied kan worden opgeëist door één volk'' en de landelijke politiechef, generaal S. Bimantoro, zei gisteren: ,,Evacuatie van de Madoerezen is een voorlopige oplossing, want in deze eenheidstaat mogen burgers zich overal vestigen. Als alle delen van Indonesië worden gezuiverd van mensen die niet wonen waar hun ouders zijn geboren, waar moeten we dan heen met zijn allen?''

Toen Dajaks en inheemse Maleiers in 1997 en 1999 honderden Madoerezen over de kling joegen in West-Kalimantan, namen de resterende immigranten uit Madoera de wijk en een deel van de provincie raakte ontvolkt. Een programma voor hun terugkeer is er nog steeds niet. Toen in januari 1999 de vlam in de pan sloeg op Ambon, joeg een christenlegertje 150.000 moslimimmigranten uit Buton en Zuid-Sulawesi het eiland af. Over hun recht op terugkeer praat niemand meer.

Georganiseerde en spontane migratie uit overbevolkte naar dunbevolkte gebieden gold onder Soeharto's Nieuwe Orde als wenselijk, want dit zou `ontwikkeling en nationale saamhorigheid' bevorderen. Er rezen alom spanningen tussen migranten en de `inheemse' bevolking. Die laatste was vaak minder ondernemend dan de gemotiveerde en agressieve landverhuizers, kwam economisch in de verdrukking en zag haar cultuur bedreigd door deze gelijkschakeling. Soeharto c.s. handhaafden echter met harde hand een valse vrede.

Nu dit betonijzer is weggenomen, zien de nieuwe, democratisch gekozen leiders de springstof in hun gezicht ontploffen. Ze houden vast aan het beginsel `eenheid in verscheidenheid' en aan het recht van vrije vestiging, maar dekken in de praktijk alleen de aftocht van panische migranten. Met de alom opgekropte haat in deze veelvolkerenstaat lijkt niemand raad te weten.