GSM

Toen de eerste mobiele telefoons in 1946 in Chicago verschenen, ontstond er al snel een lange wachtlijst. De twaalf beschikbare radiokanalen lieten niet meer dan enkele honderden aansluitingen toe.

Het delen van de schaarse ruimte in de ether is sindsdien een uitdaging gebleven. In 1982 heeft de Groupe Spéciale Mobile (GSM), bestaande uit Europese experts uit industrie en overheid, een aantal technieken verenigd in een standaard. Deze wordt nu op meer dan de helft van de wereld toegepast. GSM staat nu voor Global System for Mobile Communications.

GSM maakt efficiënt gebruik van radiofrequenties doordat er een groot aantal zenders wordt neergezet, die ieder een beperkt bereik hebben (een zogeheten cel). Cellen die niet aan elkaar grenzen, kunnen zonder bezwaar dezelfde frequentie gebruiken. Een centrale computer houdt bij in welke cel elke abonnee zich bevindt, zodat het telefoongesprek via de juiste zenders gevoerd kan worden.

GSM is een digitale techniek. Daardoor kunnen computertechnieken gebruikt worden om te zorgen dat zo min mogelijk informatie door de ether wordt gezonden.

Niettemin wordt het krap in de ether. Daarom zijn naast de frequenties rond 900 MHz (gebruikt door Libertel en KPN) nieuwe frequenties toegevoegd rond 1.800 MHz (Ben, Telford, Dutchtone) en 1.900 MHz (in de VS).