Geschiedenis 1

In NRC Handelsblad van 22 februari zie ik dat mijn lievelingstijdvak (de Verlichting) de voorpagina gehaald heeft. Maar tot mijn ontzetting lees ik: `Verlichting wordt op school `pruikentijd''. De aanleiding is het rapport van de commissie historische en maatschappelijke vorming. Deze stelt voor de achttiende eeuw voortaan te betitelen als `Tijd van pruiken en revoluties'. Dat is om meer dan één reden een miskleun. Ten eerste wordt een raar gewicht gehecht aan die pruiken (die trouwens in de zeventiende eeuw uitgevonden zijn). De andere tijdvakken krijgen van de commissie terecht niet zo'n vreemde benaming mee. Vergelijk: `Tijd van monniken en ridders' (500-1000), `Tijd van ontdekkers en hervormers' (1500-1600). Dat zijn redelijk inhoudrijke karakteriseringen.

Ten tweede: dat gepruik bestendigt iets ergers. Namelijk: de idee van `pruikentijd' als zodanig. Dat is namelijk historisch onlosmakelijk verbonden met stagnatie, suffigheid. Die term wordt verder nergens in Europa voor die periode gebruikt. In het algemeen: al een paar decennia zijn alle wetenschappers, van alle disciplines, het erover eens dat in juist de achttiende eeuw die modernisering inzette die de huidige tijd bepaalt.

De commissie zet de klok terug, alleen al door de keuze van het woord `pruiken'. Misschien is De Rooy beter in een ander tijdvak thuis. Ik krijg die indruk nog sterker, wanneer ik naar het bij dit tijdvak behorende voorgestelde beeldlogo kijkt. Daar ziet men: een guillotine. Goed. Op de achtergrond: een mooie blote dame (de Vrijheid waarschijnlijk) die een barricade bestormt, gevolg door een gewapend heerschap met bakkebaarden en hoge hoed. Heel romantisch. En het is ook romantisch: want dit is een schilderij van Eugène Delacroix, behorend bij de Parijse revolutie van 1830. Het hoort dus bij het `Tijdvak van hoge hoeden en stoommachines'. Dit is even vreemd als het beeld van een Romeinse keizer in het beeldlogo van de Middeleeuwen. Hoewel het streven van de commissie om wat meer ruggengraat te geven aan het geschiedenis- en cultuuronderwijs mij niet onsympathiek is, kan er wellicht ook iets verbeterd worden aan het referentiekader van de commissieleden zelf.