Faber mijdt direct gevecht

Staatssecretaris Faber (Visserij) is niet van plan vissers compensatie te geven voor de schade opgelopen door het vangstverbod op kabeljauw.

De staatssecretaris voor Visserij moet véchten. Dat hield de Tweede Kamer haar de afgelopen weken voor en vandaag krijgt ze het weer te horen. Maar nu op minder zachtaardige wijze van de boze vissers zelf, die met hun schepen de Nederlandse havens blokkeren. Maar Geke Faber, de staatssecretaris in kwestie, heeft geen zin om te vechten. Of beter, ze vindt dat het geen zin meer heeft óm te vechten. Ze heeft de strijd allang verloren. Twee maanden geleden, in Brussel.

In januari stemden de EU-ministers en staatssecretarissen voor Visserij in met het voorstel van de Europese Commissie een tijdelijk vangstverbod voor kabeljauw in te stellen in delen van de Noordzee. Faber, de Nederlandse vissers en het parlement in Den Haag zijn het er met elkaar over eens dat de Nederlandse vissers onevenredig hard worden getroffen door dat vangstverbod. Engelse vissers hebben er geen last van, omdat het niet geldt voor de kust van GB.

Faber pleitte in Brussel voor een tijdelijk vangstverbod in de héle Noordzee. Dat leek haar – na advies van Nederlandse deskundigen – de meest effectieve manier om de dramatisch lage kabeljauwstand te herstellen. Maar ze vond geen steun bij haar collega's van de andere landen. Die sloten zich aan bij de Europese Commissie, die zich baseerde op andere wetenschappelijke bevindingen. Die localiseren juist voor de kust van Nederland de paaigebieden waar de kabeljauw zich in deze tijd van het jaar voortplant. En dat de kabeljauwstand even alle kans moet krijgen zich te herstellen – zowel om ecologische redenen als om een economisch rendabele bevissing in de toekomst te garanderen - wordt zelfs door de vissers nauwelijks betwist.

Nu is Nederland bepaald geen grootmacht in de kabeljauwvisserij. Een handvol vissers wijdt zich er nog exclusief aan, de rest van de tien procent van het Europese quotum dat Nederland mag volvissen, wordt amper gevuld door de schol- en tongvissers die kabeljauw als bijvangst in hun netten krijgen. Deze vissers vragen nu om compensatie voor de inkomstenderving die zij lijden tot het einde van het verbod, op 1 mei.

Een terechte eis of niet? Het gevecht hierover wil Faber niet aangaan. Voor haar is compensatie eenvoudig niet bespreekbaar, omdat de Brusselse beslissing dat niet toelaat. Het vangstverbod is een conserverende maatregel, redeneert zij, en daarvoor worden nu eenmaal nooit compensaties gegeven in de Europese Unie. Dat ze sommige vissers onevenredig treffen, is daarbij van ondergeschikt belang, vindt Faber: dat is immers altijd het geval. Als vissers en parlement daar prijs op stellen, wil ze deze juridische argumenten verder best nog eens toelichten in een brief.

Dat de vissers met zo'n formele redenering genoegen nemen, is niet waarschijnlijk. De stugge, formele houding van Faber is daarom nog niet onoverwogen. Het vermijden van het directe gevecht is immers óók een manier om een politiek gevecht te beslechten. Het is bovendien een wijze die Faber vertrouwd is en toegesneden is op de lange adem. Het lijkt dus voorlopig vooral aan de vissers om te bezien hoe lang zij de strijd vanuit de haven volhouden. Op 1 mei loopt het vangstverbod af.