Enschede

HET OORDEEL VAN de commissie-Oosting is vernietigend. Over de juridische schuldvraag heeft ze zich niet gebogen. Daarover gaat de rechter. Maar over alle andere vormen van aansprakelijkheid is de commissie uitgesproken helder. Nagenoeg iedereen is er verantwoordelijk voor dat het in Enschede voor en tijdens de vuurwerkramp op 13 mei vorig jaar zo uit de hand liep. De ondernemers van S.E. Fireworks, het lokale bestuur en de rijksoverheid: allen hebben jarenlang letterlijk of figuurlijk met vuur gespeeld.

De ramp is begonnen bij de bedrijfsleiding van S.E. Fireworks, die haar onderneming zonder vergunningen liet expanderen en ook anderszins onvoldoende acht sloeg op de veiligheidsvoorschriften. Dat ligt enigszins voor de hand. De vuurwerkbranche, die de afgelopen decennia een enorme vlucht heeft genomen, is in verscheidene opzichten niet de meest geavanceerde sector in het bedrijfsleven. Dit oordeel is daarom een ernstig, maar niet bijster opzienbarend verwijt. Bovendien zal de strafrechter hierover het laatste woord hebben.

HET OORDEEL DAT de commissie-Oosting velt over de verschillende overheden, is opzienbarender. De gemeente Enschede ,,schoot tekort'' bij het verlenen van de vergunningen en vooral bij de controle op naleving ervan. Van dat laatste was simpelweg ,,nooit sprake'', mede omdat de controlerende ambtenaar tegelijkertijd de pet op had van verstrekker van of zelfs adviseur voor vergunningen. De rijksoverheid heeft het volgens de commissie-Oosting nog bonter gemaakt door de vuurwerkexplosie van 1991 in Culemburg slechts voor kennisgeving aan te nemen. In de negen daarop volgende jaren bleef ze ,,doof voor interne signalen'' dat de controle in gebreke bleef en hielden de verschillende departementen zich vooral onledig met elkaar. Omdat alle ministeries verantwoordelijkheid zeiden te dragen, nam niemand haar, op de keper beschouwd, serieus. De ,,rijksoverheid faalde'', aldus Oosting. Een vuurwerkramp, als in Enschede, had zich daarom ook elders kunnen voordoen. Dat besef ,,ondermijnt te geloofwaardigheid'' van de overheid.

Volgens de commissie is het nog niet te laat. Ze doet een groot aantal concrete aanbevelingen. Als de overheid vervolgens ,,strikt zal toezien op het handhaven van de regels'', kan het tij gekeerd worden. Commissievoorzitter Oosting maakte in zijn toelichting gewag van een ,,culturele revolutie''.

HET IS TE PRIJZEN dat Oosting niet ten prooi wil vallen aan cynisme. Maar eenvoudig is dat niet. Want het gisteren gepubliceerde rapport is niet het eerste, maar hooguit het (voorlopig) laatste in een reeks waarin het falen van de overheid wordt geanalyseerd. Binnenkort voegt de commissie-Alders, die de cafébrand in Volendam onderzoekt, zich vermoedelijk in deze rij. Bij alle rampen van de afgelopen jaren was min of meer sprake van hetzelfde euvel. De parlementaire enquête over de vliegramp in de Bijlmermeer bracht bijvoorbeeld aan het licht dat de verkokering van de overheid zich zelfs uitstrekt tot de postkamers van de departementen.

Tijdens de behandeling van het Bijlmerrapport, dat mede door de hooggespannen pretenties van de opstellers snel in eng partijpolitiek vaarwater verzeild kon raken, heeft iedereen beterschap beloofd, maar zijn consequenties uitgebleven. In een eerste reactie hebben de meeste fractievoorzitters in de Tweede Kamer nu wederom de kat de bel aangebonden. De leiders van regerings- én oppositiepartijen hebben de aangesproken ministers komende weken een slechte nachtrust in het vooruitzicht gesteld.

ZULLEN DEZE goede bedoelingen dit keer wel tot resultaten leiden? Hoe dan ook niet binnen de genoemde termijn van weken. Het probleem van de overheid is te groot om zo snel te kunnen worden opgelost. Het overheidsgezag is niet alleen ondermijnd omdat politieke bestuurders zich er niet om bekommerden, maar vooral omdat de overheid een eilandenrijk is geworden waarin de hiërarchische verhoudingen zoek zijn geraakt. In deze archipel is de bureaucratie binnen en buiten het staatsverband sterker en oncontroleerbaarder geworden. De drie rampenraden, die minister De Vries (Binnenlandse Zaken) in het leven wil roepen, lossen dit `zwarte gat' niet op.

Het woord roept onaangename associaties op. Maar het begrip ,,culturele revolutie'' is zo gek nog niet om de urgentie van de noodzakelijke hervorming van de overheid als verantwoordelijke organisatievorm te omschrijven. Want als de commissie-Oosting één ding heeft aangetoond, dan is het wel dat Nederland niet kampt met onwillige bestuurders maar met een onwillig bestuur. Dit `bestuurlijke tekort' moet nu op de agenda komen. Aan de onverhoopte installatie van weer een commissie à la Oosting, die een ogenschijnlijk van God gegeven ramp moet fileren, heeft niemand behoefte.