AIRBAG

Een grote strandbal die zichzelf binnen een tiende seconde opblaast en zo voorkomt dat de bestuurder van een auto of zijn passagier als gevolg van de klap van een botsing hoofdletsel oploopt. Ziedaar de kortst mogelijke beschrijving van een airbag.

Het werkingsprincipe is al heel lang onveranderd: speciale sensoren aan de voorkant, en de laatste jaren ook aan de zijkant, detecteren een plotselinge snelheidsafname en zorgen dat er een stroompje door een dunne draad wordt gestuurd. Die wordt heel snel heet en zet een serie chemische reacties in gang in een capsule gevuld met natriumazide. Belangrijkste product van deze reacties is stikstof, dat bijna explosief een nylon zak vult die daardoor uit het stuur naar buiten schiet.

Er zijn tal van sensoren in omloop, en meestal registreren die een plotselinge vertraging. Dit gebeurt bijvoorbeeld met behulp van een kogeltje, dat normaal gesproken vast zit op een magneet. Als de snelheid plotseling afneemt schiet dit los – net als de passagiers in een bus naar voren schieten als deze plotseling remt – en sluit zo een elektrisch circuit. Ook zijn er sensoren die een drukverandering registreren, bijvoorbeeld als gevolg van het indeuken van het portier. In zogeheten `slimme' airbags bepalen weer andere sensoren de positie van de bestuurder, diens gewicht en de snelheid op het moment van de botsing. Met deze gegevens kan de airbag in verschillende etappes worden opgeblazen, afhankelijk van de aard van de botsing.

Tegenwoordig worden al dit soort sensoren steeds vaker op microschaal uitgevoerd. Gebruikmakend van fabricageprocessen uit de chipsindustrie is het mogelijk geworden allerlei mechanische systemen in het klein uit te voeren en samen met de elektronica te integreren op een microchip. In plaats van een kogeltje is er dan een plaatje silicium van nog geen miljoenste gram dat in beweging komt als gevolg van een vertraging en zo een elektronisch circuit beïnvloedt.