Gewoon eigenlijk best wel

Eens, wel, maar, even. Het zijn onopvallende woordjes, maar hun rol in de communicatie moet niet onderschat worden. Ton van der Wouden werkt aan een woordenboek waarin de modale partikels van het Nederlands voor het eerst volledig in kaart worden gebracht.

Het wemelt ervan in het Nederlands. ``Maar je moet ze leren zien'', zegt Ton van der Wouden. ``Modale partikels zijn kleine woordjes als wel, eens, toch, dan en maar. Ze worden niet beklemtoond en staan vaak midden in de zin. Ze brengen subtiele betekenisschakeringen aan en worden daarom ook wel schakeringspartikels genoemd.''

``Neem het woordje maar. Als je dat achter een gebiedende wijs zet, wordt die een beetje afgezwakt. Kijk maar klinkt vriendelijker dan Kijk. Datzelfde maar kun je ook in een mededeling gebruiken, met hetzelfde verzwakkende effect. Ik ga maar klinkt minder absoluut dan Ik ga. Je kunt ook meer modale partikels achter elkaar zetten: Ik ga maar eens. Door de toevoeging van eens, dat een vage tijdsaanduiding is, wordt de mededeling nog vager: ik ga nog niet direct. Die combinatie van maar en eens kan ook bij de gebiedende wijs gebruikt worden. Als je Kijk maar eens zegt, is de ander niet verplicht om meteen te gaan kijken, je geeft hem de ruimte om het verzoek op zijn eigen manier te interpreteren.''

Modale partikels voegen niets toe aan de feitelijke inhoud van een zin. Ze opereren op een ander niveau en dat maakt ze zo ongrijpbaar. Ze maken iets duidelijk over de bedoeling, de verwachting of het gevoel waarmee iets gezegd wordt.

In de bestaande woordenboeken wordt niet veel aandacht besteed aan deze woordjes. De Van Dale en het Woordenboek der Nederlandsche Taal geven immers vooral een beschrijving van de schrijftaal, terwijl modale partikels vooral voorkomen in spontane, gesproken taal. Van der Wouden werkt nu in opdracht van het Vlaams-Nederlands Comité voor Nederlandse Taal en Cultuur aan een partikelwoordenboek.

``De betekenis van de modale partikels is vaak moeilijk te omschrijven'', zegt hij. ``Maar als ze ontbreken, kan de communicatie gemakkelijk vastlopen. De partikels zijn als het ware het smeermiddel van de communicatie: ze kunnen een verzoek vriendelijker maken of een bewering minder stellig. Ze halen de scherpe kantjes eraf. Maar het omgekeerde komt ook voor: er zijn ook heel botte partikels. Zoals vreemd genoeg datzelfde maar in: Nee, wacht maar!''

Het Nederlands heeft in vergelijking met andere talen ongelofelijk veel modale partikels. Net als het Duits. Het Engels daarentegen, toch ook een Germaanse taal, heeft nauwelijks partikels. Toch komt het Engels niet onbeleefder over dan het Nederlands. Van der Wouden: ``Het Engels heeft een veel rijker systeem van intonatie. Wat wij met modale partikels doen, doen de Engelsen vaak met intonatie. Daarnaast doet het Engels ook veel meer met werkwoorden. Bijvoorbeeld, als iemand de weg vraagt, kun je in het Nederlands zeggen: U kunt misschien het beste zo en zo gaan, en daarin gebruik je de partikels misschien en het beste. In de Engelse vertaling gebruik je alleen maar hulpwerkwoorden: You might wanna go ...''

Voor mensen die het Nederlands als vreemde taal spreken, zijn de modale partikels een crime. Ze gebruiken te weinig partikels of ze gebruiken de partikels verkeerd. Buitenlanders die op het eerste gezicht goed Nederlands lijken te spreken, vallen vaak door de mand door een excessief gebruik van modale partikels als eigenlijk of zeg maar. Van der Wouden: ``Van de zomer was er een groot congres van neerlandici buiten Nederland. Daar heb ik een verhaaltje gehouden over mijn woordenboek in wording. En eigenlijk hoefde ik ze helemaal niet uit te leggen wat het nut daarvan was. Ze zaten er echt op te wachten, ze zeiden: `Wanneer komt het uit? We willen het graag hebben'.''

Nederlandse kinderen daarentegen leren al heel jong om modale partikels te gebruiken. Zinnetjes als Kom nou! en Kom dan! vormen voor peuters van twee geen enkel probleem. Soms verzinnen ze zelf partikels om iets te zeggen wat ze eigenlijk nog niet kunnen zeggen. Van der Wouden geeft het voorbeeld van een tweejarig jongetje dat wilde weten waar zijn vriendinnetje Machtold was. Hij vroeg: Machtold nou? en bedoelde: Waar is Machtold? Omdat een vraagzin op die leeftijd nog te ingewikkeld is, gebruikte hij nou als een vraagpartikel, zoals veel kinderen van die leeftijd doen.

bijwoorden

Modale partikels worden officieel tot de bijwoorden gerekend, maar dat zegt niet zoveel. De bijwoorden vormen binnen de grammatica een vage restcategorie waarin allerlei soorten woorden zijn ondergebracht. Opvallend is dat de meeste woordjes die als modaal partikel gebruikt kunnen worden, ook voorkomen als gewoon bijwoord. Misschien is hier een duidelijk voorbeeld van. In Misschien wordt het morgen mooi weer is misschien een gewoon bijwoord: als je het weghaalt krijgt de zin een andere betekenis. Maar in Heb je misschien zin om ...? is misschien een modaal partikel dat het verzoek beleefder maakt: de ander hoeft zich niet verplicht te voelen om erop in te gaan.

``Iets van de oorspronkelijke semantiek zit er vaak nog wel in'', zegt Van der Wouden. ``Ook is het interessant om te zien dat woorden als maar en misschien in verschillende talen dezelfde betekenisontwikkeling hebben ondergaan: van gewoon bijwoord naar modaal partikel. Dat zouden we natuurlijk graag willen verklaren. Waarschijnlijk maakt de oorspronkelijke betekenis bepaalde woorden heel erg vatbaar voor die betekenisontwikkeling.''

Het bijwoord straks zit volgens Van der Wouden midden in een dergelijke betekenisontwikkeling. ``Het is een gewoon bijwoord van tijd, maar in het zinnetje Straks ga je me nog vertellen dat... heeft het zijn oorspronkelijke betekenis bijna verloren: het is daarin een modaal partikel geworden dat vrees uitdrukt.''

Een ander opmerkelijk aspect van modale partikels is dat je er een heleboel achter elkaar kunt zetten. In Dat is toch eigenlijk best wel vreemd staan er vier achter elkaar zonder dat de zin onbegrijpelijk wordt. Befaamd is het voorbeeld dat J.M Hoogvliet in 1903 in een handboek van het Nederlands vermeldde: Geef de boeken dan nu toch maar eens even hier. Van der Wouden: ``Waarschijnlijk komt die combinatie van zes partikels in werkelijkheid nooit voor. Toch weet iedere Nederlander dat ze in deze volgorde moeten staan. Kennelijk maakt dat deel uit van onze grammaticale kennis.'' Hoe dit precies werkt, is nog een onopgehelderde kwestie.

Van der Wouden bekijkt voor zijn woordenboek allerlei materiaal. ``Ik gebruik alles wat ik kan krijgen. Modale partikels zijn zo frequent, je komt ze overal tegen.'' Hij maakt onder andere gebruik van de databestanden van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie. Ook kan hij putten uit het materiaal van het Corpus Gesproken Nederland, dat nu langzaam beschikbaar komt voor onderzoek. Daarnaast blijkt het internet een aantrekkelijke lexicografische visvijver te zijn. ``Het viel me bijvoorbeeld op dat Maarten 't Hart in zijn laatste romans altijd maar eens gebruikt bij vriendelijke gebiedende wijzen. Ik vroeg me af hoe gebruikelijk dat is. Dan zoek ik met een zoekmachine het internet af en krijg ik allerlei webpagina's waar maar eens op voorkomt, van harde porno tot gereformeerde preken.''

leiden

Andere taalkundigen die ook gegrepen worden door de modale partikels, stoppen hem geregeld materiaal toe. ``Pieter Uit den Boogaart is al jaren met wel bezig, Ad Foolen is helemaal verslingerd aan maar, en mijn baas, de hoogleraar Frans Zwarts, streept in de hele Nederlandse letterkunde van de twintigste eeuw het woordje eens aan.'' Soms hoort Van der Wouden in een café of op straat iets wat hij onmiddellijk moet opschrijven. ``Hier in Leiden hoor ik dingen als: Ga je naar de Hema dan? Dat is echt de Leidse volkstaal: daarin is dan bijna verplicht in vragen. En soms zeg ik zelf iets zeggen waarvan ik denk: Hé, dat is gek, kan ik dat zomaar zeggen? Zo hoorde ik mezelf laatst zeggen: Dat is net zo makkelijk, in de betekenis van: Dat is eigenlijk makkelijker. Dat heb ik meteen opgeschreven.''

Op dit moment hebben de gespecialiseerde onderzoekers hun handen vol aan het inventariseren van de woordjes en hun betekenissen. ``We hebben nog geen duidelijke theorie'', zegt Van der Wouden. ``Maar dat maakt het juist leuk, vind ik. Je zit niet in het keurslijf van een theorie, het is nog zoeken.'' De verwachting is dat de modale partikels, zodra er een beter beeld bestaat van wat ze doen, een nieuw inkijkje kunnen geven in hoe mensen met elkaar communiceren. ``Als je wilt begrijpen hoe die communicatie verloopt, dan vormen de modale partikels een ideale ingang. Ze beïnvloeden onze communicatie op een manier die kennelijk heel belangrijk is voor ons. Bovendien: partikels zijn discrete eenheden, dus je kunt ermee experimenteren. Je kunt er bijvoorbeeld eentje weghalen en kijken wat er dan met de communicatie gebeurt.''

Het partikelwoordenboek met maar, straks, net zo, het Leidse dan, maar ook het Groningse ja, het Vlaamse alleszins en nog een paar honderd andere modale partikels zal in de loop van dit jaar verschijnen.

Rijkgeschakeerd palet

Met de modale partikels beschikt de gebruiker van het Nederlands over een rijkgeschakeerd palet aan bedoelingen en emoties waarmee hij zijn taalgebruik kan inkleuren.

Gebiedende wijzen worden in het Nederlands vrijwel altijd met behulp van een partikel ingekleurd:

Uitnodigend: Kom eens.

Geruststellend: Kom maar.

Ongeduldig: Kom nou!

Dwingend: Kom dan!

Beweringen kunnen, al naar gelang de behoefte, worden versterkt of afgezwakt:

Stellig: Dat is gewoon gek.

Relativerend: Ik ben daar een beetje in gespecialiseerd.

Op zoek naar instemming of begrip: Dat is eigenlijk wel gek. Dat is best wel gek.

Partikels kunnen, net als de intonatie waarmee men iets zegt of het gezicht dat men erbij trekt, de onderliggende emotie expliciet maken. Een bescheiden greep uit de vele mogelijkheden:

Bewondering: Dat is nog eens een voetballer!

Ongeduld: Wil je je grote mond nou eens houden?

Goede raad: En als je het nou eens met een schroevendraaier probeert?

Ironie: Henk heeft ook eens een goed idee.

Vrees: Straks ga je me nog vertellen dat...

Leedvermaak: Dat doe je maar lekker zelf.

Verontwaardiging: Ik kon mooi al het werk doen!

Woede: Hij belde me godverdomme uit mijn bed.

Nonchalance: Ik ga maar eens naar huis of zo.

In vragen kunnen de partikels aangeven welk antwoord er verwacht wordt:

Je bent toch op reis geweest? (Verwacht antwoord: ja.)

Eet je wel genoeg? (Gesuggereerd antwoord: nee.)

Ben je soms op reis geweest? (Neutraal.)