Een Russisch dorp in Twente

,,De Dorpsstraat is even lang als de Nevski Prospekt'', zegt J. Hosmar als ik met hem en zijn vrouw over de vijf kilometer lange levensader van Vriezenveen rijd. Het is een ijskoude middag, die alleen door de winterzon wordt opgevrolijkt. De inwoners van het 10.000 zielen tellende dorp doen hun dagelijkse boodschappen en haasten zich vervolgens naar huis. Behalve een enkele bontmuts, wat dunbesneeuwde veldjes en de lengte van de hoofdstraat telt het dorp weinig andere overeenkomsten met de voormalige Russische hoofdstad Sint Petersburg.

Toch was Vriezenveen 200 jaar lang uitvalsbasis van ondernemende boeren die met veel succes handel met Rusland dreven. Het was handel uit noodzaak, want Vriezenveen was straatarm, aldus de 80-jarige Hosmar. Aanvankelijk verkochten de Rusluie, zoals de Vriezenveense Ruslandgangers werden genoemd, er vooral zaden en linnen, die ze per huifkar vervoerden. Als ze hun waren hadden verkocht keerden ze terug naar huis. Vanaf 1863 ging de reis per spoor, maar toen werd er ook in koffie, thee, tabak, cacao, bloemen en wijn gehandeld. Inmiddels hadden de Vriezenveners zich permanent in Sint Petersburg gevestigd en waren van benepen boertjes veranderd in mondaine kooplieden. In het enorme gebouw van de Nederlandse Hervormde Kerk op de Nevski Prospekt en in de grote winkelgalerij Gostiny Dvor openden de Rusluie tal van winkels. Vaak waren ze ook hofleverancier. Zo verkocht de firma Ten Cate sigaren aan de tsaar en kwam het damast van Alexander II uit de manufacturenwinkel van de firma Harmsen.

Als de Rusluie oud waren en genoeg hadden verdiend, deden ze hun zaken over aan hun zoons en brachten hun laatste levensjaren door in Vriezenveen. Ze lieten er weelderige villa's bouwen. Van die villa's is vandaag de dag weinig over. Een deel werd in 1905 verwoest door een grote brand. Andere werden afgebroken, omdat het onderhoud te duur was. In de Dorpsstraat herinneren alleen nog de Villa Harmsen en de Villa Ter Brake aan de `Russische' welvaart. ,,De landbouw gaat hier voor'', zegt Hosmar geïrriteerd. ,,Het kon de boeren niets schelen dat die huizen tegen de vlakte gingen.''

Met rode konen vertelt hij het verhaal van de zakenman Egbertus Diederik Kunst, die op zijn zeventiende naar Sint Petersburg ging en daar trouwde met een Russin, Alexandra Kartsjagina. Eenmaal terug in Nederland woonde het echtpaar in een villa in Almelo, waar mevrouw Kunst dwars door het raam heen schoot op `denkbeeldig wild'. Even waart de geest van Tsjechov door de huiskamer van de Hosmars.

Aan Hosmar is het te danken dat de geschiedenis van de Rusluie bewaard is gebleven. Als chef van de afdeling interne zaken op het gemeentehuis stuitte hij in de jaren vijftig op oude gemeenteverslagen, waarin voortdurend stond vermeld dat er weer enkele inwoners van het dorp naar Rusland waren vertrokken. Hosmar ging op onderzoek uit en het lukte hem om de identiteit van de meeste Rusluie te achterhalen. Ook ontdekte hij dat veel Twentse textielbaronnen getrouwd waren met dochters van vermogende Rusluie. ,,Zestig procent van de Twentse textiel is begonnen met Russisch geld'', zegt hij triomfantelijk.

Op 22 oktober 1962 organiseerde Hosmar een reünie van mensen die praktisch allemaal voor 1917 nog in Rusland waren geweest. ,,Iedereen had wel een bundel paperassen onder de armen'', zegt hij over de goudmijn aan bronnenmateriaal die hij toen kreeg. Ook heeft Hosmar zich al in het begin van zijn speurwerk tot de Sovjet-overheid gericht. In 1956 ving hij nog bot toen hij in Leningrad vroeg of er nog archieven van de Nederlandse Hervormde Kerk in Sint Petersburg bestonden. Alles was zogenaamd verwoest tijdens de revolutie van 1917. Maar toen onder Gorbatsjov de archieven opengingen, bleken de notulen van de hervormde gemeente daar ongeschonden te liggen.

Anekdotes uit de Koude Oorlog kent Hosmar volop. Toen hij in 1968 via de vereniging Nederland-USSR een microfilm over de geschiedenis van de Russisch-Nederlandse handel kreeg, waarop ook het dagboek stond van de 18de-eeuwse Nederlandse admiraal Cornelis Cruys – de grondlegger van de Russische oorlogsvloot – wekten zijn activiteiten de belangstelling van de BVD. Hosmar: ,,Op een dag stonden twee rechercheurs op de stoep, die me vroegen iets over mijn relaties met Rusland te vertellen. Ik trok natuurlijk meteen alle registers open.'' In het vervolg werd Hosmar niet meer geschaduwd.

Hosmar heeft in de loop van bijna een halve eeuw een omvangrijk Rusluie-archief opgebouwd, bestaande uit zo'n 600 foto's, 1.000 dia's en vele documenten. Een van de hoogtepunten is een kaartje waarop in het Russisch reclame wordt gemaakt voor Blooker cacao. Op de achterzijde staan twee Anton-Pieckboerderijtjes getekend. Het zegt genoeg over de banden tussen het dorp en zijn inwoners in den vreemde.

Het is natuurlijk belangrijk dat Hosmars verzameling na zijn dood bewaard blijft. Maar waar moet zij worden ondergebracht? Vriezenveen heeft weliswaar een klein museum, de `Oudheidkamer', waar voor de Rusluie een klein hoekje is ingericht. Maar meer dan een samovar en een paar gebruiksvoorwerpen tref je er niet aan. ,,In de Oudheidkamer komt bijna geen Vriezenvener kijken'', voegt Hosmar eraan toe. Daarbij komt dat het slopen van de villa's het ergste doet vermoeden voor het verdere behoud van het plaatselijk erfgoed.

Inmiddels heeft Hosmar zijn onderzoek uitgebreid naar alle andere Nederlandse kooplieden die in de loop der eeuwen in Sint Petersburg hun geluk kwamen beproeven. Hij heeft er zelfs een boek over geschreven dat in het voorjaar verschijnt. De vermogende nazaten van al die Ruslandgangers zouden nu een nobele daad kunnen verrichten als zij in een van de overgebleven villa's in Vriezenveen een onderkomen voor de collectie mogelijk maken. Een belangrijk stuk geschiedenis als dat van de Nederlandse Ruslandreizigers mag nu eenmaal niet voorgoed verloren gaan. En Hosmar zelf? Die moet een lintje krijgen, zowel van de Nederlandse als van de Russische regering.