Geen spijt, geen trots

Als negentienjarige nam schrijver en dichter Jan Eijkelboom deel aan de politionele acties in Nederlands-Indië. Onlangs verschenen zijn verhalen over die episode.

Tweemaal tijdens de politionele acties in Indonesië kreeg dichter Jan

Eijkelboom (1926) een vrijheidsstrijder in het vizier van zijn geweer, een Lee Enfield. En beide keren schoot hij welbewust mis. Als jong soldaat werd Eijkelboom in 1947 uitgezonden naar Indonesië om deel te nemen aan gewapende acties, opgezet door de Nederlandse regering om het koloniale eilandenrijk met geweld voor onafhankelijkheid te behoeden. In het begin van de jaren vijftig keerde Eijkelboom terug. De oorlogservaringen lieten hem niet los. Hij ging de journalistiek in, vertaalde uit het Engels, schreef gedichten – maar over de gebeurtenissen in Indië bewaarde hij een intens stilzwijgen.

Zijn eerste poëziebundel met de suggestieve titel Wat blijft komt nooit terug (1979) bracht hem meteen faam. Kortgeleden publiceerde hij de verhalenbundel Het krijgsbedrijf, met als ondertitel `Vijf benaderingen'. Tegelijkertijd verscheen zijn zevende dichtbundel Het arsenaal.

Eijkelboom heeft het zwijgen verbroken. Het trauma van de militaire krijg in het voormalige Indië gaf hij vorm in sobere, ingetogen verhalen die een grote emotionaliteit verraden. ,,Ik heb geen spijt van mijn deelname aan de acties, maar ik ben er ook niet trots op'', zegt Jan Eijkelboom in zijn huis aan een smalle straat in zijn woonplaats Dordrecht. ,,En ik hoef me ook niet te verontschuldigen omdat ik het militaire bedrijf ben ingegaan.''

Eijkelboom kiest zijn woorden zorgvuldig. Vaak wrijft hij met zijn handen over het blad van de eettafel. Bij herhaling stelt hij dat hij eertijds `in politiek opzicht een onbeschreven blad' was. Hij licht toe: ,,Vlak na de bevrijding, op een van de eerste mooie avonden, liep ik hier in Dordrecht langs een singel. Daar was een rekruteringskantoor gevestigd. Ik ben naar binnen gegaan en meldde me aan bij de expeditionaire macht, het Nederlandse onderdeel van het geallieerde leger. Wij waren weliswaar bevrijd, maar de Tweede Wereldoorlog was nog niet afgelopen. In Nederlands-Indië was toen nog niets aan de hand. Vergeet niet dat Nederland in die dagen in euforie verkeerde.''

,,De oorlog mocht koste wat het kost niet terugkeren. Ik had gezonde Canadese soldaten gezien die soepel rondreden op hun motoren, ik had de ellende van de oorlog meegemaakt en de hongerwinter. Ik wilde dat ook; gezond zijn, soldaat worden en in geval van nood vechten tegen de vijand. Ik kreeg een opleiding tot scherpschutter in Engeland. Met vrienden koos ik een andere, spannender opleiding uit: brencarrier rijden in Duitsland of pantserafweer in Italië. Die laatste mogelijkheid viel af, dus leerde ik in Duitsland om te gaan met een brencarrier, een reusachtige bak van een terreinwagen. We moesten de motor uit elkaar halen en weer in elkaar zetten zonder een schroefje over te houden. Eindelijk leerde ik iets nuttigs, want mijn diploma gymnasium alfa vond ik betrekkelijk overbodig. Het ruwe, rauwe leven trok aan me. Als jongen was ik lid van een roversbende, de Zwarte Hand. Het clubblad schreef ik zelf vol. In Schotland leerde ik een vorm van doden die `silent killing' heet. Van oefenaren, dat waren allemaal ex-bajesklanten of boksers met een gebroken neus en bloemkooloren, leerden we dat soort kunstjes. Iemand klappen geven in de nek of van achteren besluipen en met een steekwapen ombrengen. Gelukkig heb ik daar niets van hoeven toepassen. Want het vreselijke is dat je het hoofd van het slachtoffer moet aanraken, en zo'n aanraking is veel te intiem vlak voor de dood.''

Wapenbroeder

,,En toen werd ik uitgezonden naar Nederlands-Indië. We zouden daar de vrede herstellen. Op ons uniform droegen we een speldje met de afbeelding van een helm en daaronder palmtakken. Ik diende bij het Tiende Bataljon Garderegiment Prinses Irene. Mijn politieke kennis was volstrekt ontoereikend. Ik wist van Java slechts de vulkanen, zoals Soekarno de steden kon opsommen tussen Groningen en Delfzijl. Ik was niet anti-koloniaal, in tegenstelling tot soldaten uit communistische hoek, maar de regering misleidde ons op ongehoorde wijze. We zouden een vredesmissie vervullen. In massaal verspreide pamfletten werden wij, deelnemers aan de politionele acties, aangesproken als `Wapenbroeder'. Er stond: `Gij rukt niet op om aan dit land oorlog te brengen, maar om het de vrede te hergeven'. Ik heb dat als een hersenspoeling ervaren. We kregen ook te horen dat de groep voorvechters van de Indonesische onafhankelijkheid slechts bestond uit een kleine intellectuele elite en dat het volk daar niets van moest hebben. Het volk zou aan de Nederlandse zijde staan. Dat bleek niet waar. Wij waren veruit het beste bewapend en zij waren in de meerderheid. Langzaam drong bij de soldaten door dat wij politiek fout waren. Vechten tegen een heel volk is een onrechtvaardige zaak. En bovendien verlies je dat altijd. Ons verzet tegen de acties groeide, maar de legerstaf daar maakte er tot elke prijs een echte oorlog van.

,,Ik herinner me dat dominee Verkuijl in 1949 de kersttoespraak hield in Djakarta. Hij was de Indische zaak toegedaan. In de studio zaten Beel, de Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon, Sassen, minister van Oorlog, en generaal Spoor om de uitzending onmiddellijk te verbieden als Verkuijl al te pro-Indonesisch dreigde te worden. Zo ging dat. Op die manier werden de soldaten onwetend gehouden. Velen, onder wie ik, waren fatsoenlijke jongens. Mijn wereldbeeld was heel simpel: natuurlijk was ik anti-Duits en daarom ook anti-Soekarno. Want president Soekarno spande samen met de Japanners om de Nederlanders uit Indonesië weg te krijgen.''

Het ergste vond Eijkelboom het konvooi-rijden: ,,Dat was zoiets als wachten op de dood. De Indonesiërs hadden trekbommen in het terrein verborgen die ze met een touw op afstand tot ontploffing brachten. Als één zo'n bom een seconde eerder was afgegaan, dan was ik aan flarden gegaan. Ik heb soldaten op die manier zien sterven, bloedend, geheel geëxplodeerd. Door zo'n ontploffing tuimelden we met de carrier in de trechter die de tankmijn had geslagen. We overleefden het. We keken elkaar verwonderd aan. Ik dacht toen: `Ik kan nooit meer kapot. Voor de rest van mijn leven heb ik vakantie'. Maar ik kon een week niet slapen. En terug in Nederland kwamen de nachtmerries en angstdromen. Mijn moeder vertelde me dat ik midden in de nacht hele veldslagen organiseerde: `Schutter naar links, de carrier naar voren'. Ik schreeuwde de bevelen.''

Alcohol

Eijkelboom is bij uitstek een schrijver van het minimale gebaar en het juiste, treffend geplaatste woord. De bundel Het krijgsbedrijf telt niet meer dan honderd bedrukte bladzijden. De schrijver koos als motto een uitspraak van een Zuid-Afrikaanse handelaar in ivoor, Trader Horn genoemd. Die zei ` `Aye, there's something in writing/ 's like armour to the feelings'. In vertaling: `Er schuilt iets in schrijven/ dat is als een pantser voor de gevoelens'. Dat pantser achtte de schrijver noodzakelijk om pathos te voorkomen.

Eijkelboom erkent `dat hij jaren niet kon leven' en dat hij zijn dagen doorbracht `in de feestelijke begeleiding van fles en glas'. Alcohol bood soms vertroosting, maar haalde ook de strop harder aan. Aan Koning Alcohol wijdde hij een beroemd geworden gedicht: `Ik drink me elke dag weer dood/ en sta als Lazarus weer op/ met nog een graflucht om mij heen/ die als bij toverslag verdwijnt/ wanneer Hij mij een kelk aanreikt'.

Hij wil het woord `therapeutisch' niet gebruiken, maar voor hem is het schrijven van Het krijgsbedrijf verlossend geweest. ,,Toen ik in 1979 debuteerde met Wat blijft komt nooit terug bracht die publicatie me weer op de been. Er was veel kapotgegaan in mijn leven, een huwelijk, ik wisselde telkens van baan en noemde dat `een carrière opbouwen'. In feite was ik een grote kluwen onrust en voelde ik me verdwaald in mijn bestaan. Over de rusteloosheid heb ik een gedicht geschreven, dat begint als volgt:

`Mijlen leg ik soms af,/ 's nachts in dit grote huis'. Ik werd ook achtervolgd door heftige herinneringen aan Indonesië. Beelden keerden terug, zoals van de soldaat die werd onthoofd door scherp ijzerdraad, dat de Indonesiërs over de weg hadden gespannen. Of een collega, Koos in het boek, die door een tankbom de hoogte in werd geslingerd.'' Eijkelboom noteert het in zijn kenmerkende, geserreerde stijl, bijna achteloos: `Zijn lippen prevelden nog wat. (-) De aalmoezenier merkte op dat het gezicht van de soldaat geel begon te worden. `Dan weet je dat ze doodgaan', voegde hij er nog aan toe, eer hij terugliep naar zijn auto.'

Eijkelboom onthoudt zich van elk moreel oordeel in Het krijgsbedrijf. ,,Ik vind niet dat ik me hoef te verdedigen omdat ik, als negentienjarige, besloot oorlogsvrijwilliger te worden. Mijn eerste herinneringen aan Indonesië zijn die van geluk en bevrijding. Ik werd meteen verliefd op het land, de geuren, de kleur groen. Toen wij arriveerden stonden er juichende mensen langs de kant van de weg, want wij voorzagen hen van rijst en textiel. Maar daarna werd het verschrikkelijke ernst. Ik was tot tweemaal toe de enige die ongedeerd bleef toen de carriers waarover ik het bevel voerde werden opgeblazen. Ik was graag in Indonesië gebleven. Tijdens mijn functie bij de inlichtingendienst had ik me het Maleis eigen gemaakt. Van het volk begreep ik dat zij ons als vijanden zagen. Gelukkig is daarna snel de Ronde Tafel Conferentie gekomen en vond eind december van 1949 de soevereiniteitsoverdracht plaats. De acties hebben me in politiek opzicht bewust gemaakt. Op de terugtocht met het troepenschip werd ik met een stel kameraden dronken. We wilden het roer omgooien, terug naar Indonesië. We bestormden de brug maar werden er door hogere militairen weer afgeranseld. Ze sloten ons op in het vooronder, waar de kabels en touwen liggen. Op de Indische Oceaan brak ineens een vliegende storm los. Golven van tien meter sloegen het schip de hoogte in en we vielen met een klap weer neer. Dat is wel de ergste kater die ik ooit heb gehad.''

Het eerste verhaal uit Het krijgsbedrijf dateert uit 1953. Eijkelboom ziet zich als een dichter die proza schrijft, dus dat betekent in zijn geval eindeloos ciseleren, schrappen, verfijnen. We zijn nu bijna een halve eeuw verder en nog altijd laat Indonesië Jan Eijkelboom niet los, al ervoer hij het schrijven als een weldaad. Onlangs lag hij wegens een ernstige ziekte in het ziekenhuis, een ziekte waaraan `veel mensen doodgaan' zoals hij het noemt. ,,Toen ik genezen werd verklaard, reageerde ik laconiek. Dat verbaasde de arts. Ik had hem wel kunnen vertellen over de verschrikkingen die een ex-militair teisteren, maar wie het niet heeft meegemaakt zal het nooit begrijpen. Ik heb al die trekbommen en tankmijnen in Indië overleefd, dus ik beschouw mezelf als onkwetsbaar. Als een geluksvogel ben ik toen opgestegen uit die bomtrechter.''

Op onverwachte momenten wordt Jan Eijkelboom herinnerd aan zijn deelname aan de politionele acties. Onlangs zag hij een foto in de krant, genomen in Kosovo. De foto greep hem aan en hij schreef er 's nachts een gedicht over, Krantenfoto geheten. Het gaat als volgt: `Je kent dat herkent dat,/ het onbezorgd rondhangen/ in het aangezicht van de dood,/ de dood van anderen vooral.// Het automatisch geweer/ als een banjo voor je buik./ Alte Kameraden van amper twintig/ die elkaar haast als minnaars bezien.// Ook in zwart-wit herken je/ het gun-metal-blue van de loop,/ de kolf nog altijd van hout/ uit onschuldige bomen'.

Eijkelboom zegt ter verklaring: ,,Het enige moreel beladen woord in het hele gedicht is dat `onschuldige' bij bomen. Dat woord doortrekt het hele vers en maakt die jonge soldaten ook tot schuldeloos. Het is hun oorlog niet.''

Jan Eijkelboom: Het krijgsbedrijf,

ƒ 29,90. Het arsenaal, ƒ 29,90. Beide uitgaven zijn verschenen bij De Arbeiderspers.

Vrijdag 19/1 is Jan Eijkelboom te gast op het festival Winternachten, Theater aan het Spui, Den Haag. Inl.: 070-3465272 of www.winternachten.nl.

Op 3/3 vindt in Dordrecht de manifestatie `Stad in Poëzie' plaats ter gelegenheid van de 75ste verjaardag van Jan Eijkelboom.

Inl.: 078-6141522.