Woorden als bakstenen

Victor Klemperer werd beroemd met zijn postuum gepubliceerde dagboeken over Duitsland in de jaren dertig. In een ander document laat hij zien hoe ook het taalgebruik van de nazi's het menselijk individu van zijn kern probeerde te ontdoen.

In Harry Mulisch' roman Hoogste tijd komt een beslissend moment voor, wanneer de hoofdpersoon, de bejaarde acteur Uli Bouwmeester, tijdens een interview onverhoeds het woord `jodenjongen' laat vallen. Voor de – joodse – interviewer is dat de aanleiding om met het minder verkwikkende oorlogsverleden van Uli op de proppen te komen. Na het protest van een bij het interview aanwezige toneelschrijver zegt hij woedend: `Als jij het verschil niet voelt tussen een jood en een jodenjongen, dan heb ik geen hoge pet op van jouw literaire talent'. Inderdaad, de feiten over Uli's oorlogsverleden mogen uit de archieven komen, het is zijn taalgebruik dat hem verraadt.

Sinds de filosofie haar linguistic turn heeft gemaakt, is het bijna een gemeenplaats om te zeggen dat ons denken wordt bepaald door ons taalvermogen. Maar ook zonder kennis van de theorieën van Nietzsche, Mauthner of Wittgenstein weet iedereen hoezeer woorden, uitdrukkingen en zinswendingen kunnen tonen wie we zijn, welke politieke overtuiging we aanhangen, uit welke klasse we afkomstig zijn, in welke tijd we zijn opgegroeid. Neutraal is de taal zelden en daarom kan zij ons soms ook verraden, zoals in het geval van Mulisch' hoofdpersoon.

Victor Klemperer (1881-1960) had een soortgelijke ervaring, toen hij vlak na 1945 sprak met enkele Duitse jongeren. Zonder dat zij nazi's waren, bleek uit hun taalgebruik hoezeer zij nog altijd – onbewust – vasthielden aan de denkwijze van het nazisme. `Heldhaftigheid' was het woord dat Klemperer de ogen opende. `Op het moment dat dit begrip even opdook, was alle helderheid verdwenen en zaten we weer volledig in het dichte wolkendek van het nazisme', schrijft hij in LTI. De taal van het Derde Rijk, een boek uit 1947, waarvan nu een voortreffelijke Nederlandse vertaling is verschenen van de hand van W. Hansen.

Klemperer is vooral bekend geworden door zijn postuum gepubliceerde dagboek over de jaren 1933-1945 (Tot het bittere einde), dat ook in Nederland veel aandacht heeft getrokken (besproken in Boeken 30.1.98). Terecht, want het geeft een uniek en onthutsend beeld van het afschuwelijke leven van een joodse intellectueel (Klemperer was hoogleraar Frans in Dresden) onder de nazi-terreur. Overleven kon hij alleen dankzij zijn huwelijk met een niet-joodse vrouw. Het is daarom geen toeval dat LTI aan haar is opgedragen en dat haar houding, evenals die van haar lotgenoten, door Klemperer wordt aangehaald als voorbeeld van `zuiver heldendom' – tegenover de altijd `decoratieve' en `protserige' heldencultus van het nazisme, die in het taalgebruik van de naoorlogse Duitse jongeren zulke hardnekkige sporen bleek te hebben nagelaten.

Afkortingen

In het Duitse origineel luidt de ondertitel van zijn boek: Notizbuch eines Philologen. Een juiste typering, want LTI heeft niets van een systematische, wetenschappelijke verhandeling over de nazi-taal. Daarvoor kan men beter terecht bij latere studies als Langages totalitaires van Jean Pierre Faye uit 1972 of – in Nederland – Michel van Nieuwstadts Van `aardgetrouw' tot `aziatisch' (1971) en M.C. van den Toorns Dietsch en volksch (1975). Klemperers boek is rechtstreeks voortgekomen uit zijn dagboek, waarin geregeld notities staan die zijn aangegeven met de initialen `LTI' (Lingua Tertii Imperii), een parodie op de talloze afkortingen die in het nazisme gebruikelijk waren.

Het heeft LTI tot een hoogst persoonlijk geschrift gemaakt, deels een extract van het dagboek (dat Klemperer zelf niet voor publicatie bestemd had), deels een verzameling losse essays en reflecties over de taal van het Derde Rijk. Maar dan wel taal in de meest ruime betekenis van het woord, want ook gebaren, attitudes en gewoontes horen ertoe. Wat Klemperer `taal' noemt valt in feite samen met de hele cultuur en ideologie van het nationaal-socialisme. Zijn boek is een eerste poging, ondernomen door een slachtoffer, om iets van het `barbaarse' geweld dat hem getroffen had te begrijpen, door het in kaart te brengen.

Dat Klemperer zich daarbij concentreert op de taal mag, gezien zijn professionele discipline, geen wonder heten. Door de nazi's werd hem zijn hoogleraarschap aan de Technische Hogeschool in Dresden afgenomen, en nadat hem ook het werk aan zijn geschiedenis van de Franse achttiende-eeuwse literatuur onmogelijk werd gemaakt (joden mochten weldra geen bibliotheken meer bezoeken), restte hem nog slechts de studie van de nazi-taal om aan zijn filologische professie trouw te blijven en niet aan de malaise tenonder te gaan.

Het dagboek waarin hij zijn bevindingen optekent, vergelijkt hij met de `balanceerstok' van een koorddanser. Zoiets tekent de existentiële noodzaak waaruit dit – pas na de oorlog in deze vorm geschreven – boek is voortgekomen. Het is overigens niet alleen een registratie van, maar ook een verweer tegen het nazi-taalgebruik, waarvan Klemperer tot zijn verbijstering moet vaststellen dat het werkelijk iedereen, tot zelfs de joodse slachtoffers toe, weet te besmetten. Daarnaast heeft zijn boek naar eigen zeggen een opvoedkundige intentie: het wil de nazi-mentaliteit uitroeien door op de taal van de nazi's te wijzen.

`Het nazisme stroomde in het vlees en het bloed van de massa', schrijft Klemperer, `via de afzonderlijke woorden, de zinswendingen, de zinsvormen; het drong zich op door miljoenen herhalingen, die automatisch, onbewust, werden overgenomen'. Van Schiller citeert hij het distichon over de taal, die `voor je dicht en denkt'. Maar, voegt Klemperer daar aan toe, de taal dicht en denkt niet alleen voor mij, `zij stuurt ook mijn gevoel, ze stuurt mijn hele psychische wezen, naarmate ik me vanzelfsprekender en onbewuster aan haar overgeef'. Vandaar het belang van bewustwording.

Met dat doel voor ogen behandelt Klemperer diverse woorden en uitdrukkingen die typerend zijn voor het nazisme. Zelden of nooit gaat het om nieuwe woorden. Maar door hun specifieke en frequente gebruik tijdens het Derde Rijk hebben ze een heel andere, nieuwe gevoelswaarde gekregen. Woorden als `heldhaftigheid', `concentratiekamp', `fanatisme', `systeem', `asfalt', `beleving' en vele andere – ze zijn door de nazi's geannexeerd en van een vaak ongebruikelijke betekenis voorzien, die sindsdien alleen met het nazisme wordt geassocieerd.

Van een compleet overzicht van het nazi-vocabulaire is geen sprake. Klemperer beperkt zich tot een paar voorbeelden en behandelt voorts enkele algemene kenmerken van het nazi-taalgebruik: de vele superlatieven, de ironische aanhalingstekens, de cultus van beweging en dynamiek, de aan de sport (boksen!) ontleende metaforen, de afwisseling van vulgaire en verheven uitdrukkingen in de redevoeringen van Goebbels, het gebruik van technische termen (`gelijkschakeling') op niet-technisch gebied. Ook legt hij sterk de nadruk op het religieuze karakter van Hitlers beweging, iets wat wordt samengevat in de zinsnede: `Het nazisme is door miljoenen mensen als evangelie opgevat, omdat het zich bediende van de taal van het evangelie'.

Worsteling

Veel van wat Klemperer te berde brengt, klinkt nu bekend in de oren. Na de bibliotheken die sinds 1947 over het Derde Rijk zijn volgeschreven, is dat ook geen wonder. De waarde en de betekenis van zijn boek ligt daarom eerder op het persoonlijke vlak. Onbedoeld aangrijpend is bijvoorbeeld zijn worsteling om te bevatten hoe het nazisme uit het door hem geliefde Duitse dichten en denken heeft kunnen voortkomen.

Klemperer is een typisch voorbeeld van een volledig geassimileerde jood, met weinig begrip laat staan sympathie voor het zionisme. Hij had in de Eerste Wereldoorlog als vrijwilliger aan het front gestaan en beschouwde zichzelf niet als een jood, maar als een Duitser en een Europeaan, diep geschokt door het opvlammende antisemitisme dat hij alleen kon zien als een barbaars anachronisme. Aanvankelijk probeert hij het weg te redeneren als een van buiten afkomstige `epidemie', die zich pas daarna tot een Duitse ziekte had ontwikkeld. Maar hoewel hij de Fransman Gobineau aansprakelijk stelt voor de nieuwe rassenidee achter dit antisemitisme, ontkomt hij er toch niet aan in laatste instantie de Duitse romantiek met haar `grenzeloosheid' (die ook Gobineau zelf had beïnvloed) de schuld te geven.

Bij deze ietwat simplistische genealogie kunnen de nodige vraagtekens worden geplaatst. Zo was Gobineau niet negatief over de joden en valt het te verdedigen dat het moderne, technische karakter van de Endlösung ook het een en ander heeft overgenomen uit het erfgoed van de Verlichting, Klemperers specialisme als literatuurhistoricus. Maar dat doet niets af aan het persoonlijke drama waarvan zijn boek getuigt. De verwarring die zijn historische reconstructie van de wortels van het nazisme kenmerkt, weerspiegelt de verwarring waaraan hij zelf ten prooi moet zijn gevallen, nadat zijn intellectuele wereld was ingestort.

In die verwarring, verhevigd door het Gestapo-geweld, de vernedering van de verplichte jodenster, de concentratie in overvolle `jodenhuizen' en het gedwongen werk als ongeschoold arbeider in de fabriek, is het steeds weer de studie van de taal waaraan Klemperer zich vastklampt. Een taal die bij de nazi's `doodarm' is geworden en die er `volledig op [is] gericht het individu van zijn individuele kern te beroven, hem als persoonlijkheid te bedwelmen, van hem een gedachteloos en willoos deel van een kudde te maken die in een bepaalde richting wordt gedreven en opgejaagd, een atoom van een voortrollend stuk steen'.

Het is een taal van het `geloof' en het is een `mechanische' taal. Dat dit niet alleen voor het nazisme geldt, maar voor alle totalitaire ideologieën, is iets wat Klemperer weigert te erkennen. De gelijkenis met het bolsjewisme merkt hij wel op, maar de mechanisering in de Sovjet-Unie heeft volgens hem tot doel `de mensen een menswaardig bestaan te verschaffen', terwijl het doel in Hitler-Duitsland niet anders was dan `slavernij'.

Klemperer (die na de oorlog lid zou worden van de communistische partij) had in 1947 onvoldoende oog voor de realiteit van het Russische arbeidersparadijs. Stalin kon voor hem nog de grote bevrijder zijn, omdat hij dat in zíjn geval daadwerkelijk was geweest. Ook wat dit betreft blijkt LTI een tijd- en plaatsgebonden boek, een document humain eerder dan een wetenschappelijk verantwoorde studie. Maar je moet wel een volstrekt harteloze lezer zijn om de schrijver daarvan een verwijt te maken.

Victor Klemperer: LTI.

De taal van het Derde Rijk.

Vertaald door W. Hansen.

Atlas, 367 blz. ƒ69,90

    • Arnold Heumakers