SCHOLEKSTER DIE KOKKEL OPENHAMERT SPAART ZIJN SNAVEL

Een deel van overwinterende scholeksters (Haematopus ostralegus) die zich te goed doen aan kokkels (Cerastoderma edule) kiest, om de snavel te sparen, voor een kleine kokkelsoort. Dit blijkt uit Brits onderzoek. Scholeksters vallen in twee kampen uiteen: de hameraars en de stekers. Nauwkeurig opensteken van schelpdieren — tussen de twee schelphelften door — of juist botweg openhameren zijn specialismen die zelfs aan de snavelvorm van de scholekster is af te lezen. Die van de hameraars is korter en relatief beitelachtig.

Voor beide technieken stelden Ian Johnstone en Ken Norris, respectievelijk werkzaam voor de Engelse vogelbescherming (RSPB) en de Universiteit van Reading, voorspellingen op, uitgaand van een optimaal prooikeuze-model. Vervolgens bekeken zijn een winter lang in de Burry Inlet, een getijdengebied in Wales, of die voorspellingen opgingen (Ardea 88,2). Ze moesten hun model aanpassen, om ermee rekening te houden dat scholeksters soms pas na enig 'hannesen' met de prooi beoordelen of ze die profijtelijk kunnen openen. Die 'hannes-tijd', zoals Nederlandse vogelonderzoekers die benoemen, werd apart gehouden van de werkelijk energievergende prooibewerking.

Het hameren bleek een getijdegevoelige techniek; je hebt er een stevige ondergrond voor nodig, en rond het moment van laagwater biedt het goed uitgedroogde sediment de beste mogelijkheid. Zowel hameraars als stekers zouden, uitgaande van effectief energiegebruik, geen kokkels moeten eten die kleiner zijn dan 15 millimeter.

De Engelsen stelden vast dat stekers zich het gehele seizoen vrijwel volgens verwachting gedroegen. De hameraars daarentegen aten, in tegenstelling tot de stekers, in het begin van de winter veel kleine kokkels. Daarna, in de loop van het seizoen, selecteerden zij steeds grotere kokkels, zodat hun gedrag iets beter in overeenstemming kwam met de voorspelling. Maar over het geheel genomen bleef de afwijking behoorlijk groot. De onderzoekers vermoeden dat dit verband houdt met het risico van snavelbreuk. Dat risico is voor hameraars waarschijnlijk groter dan voor stekers: er is meer kracht nodig voor het openhameren van een grote kokkel. Beschadiging en breuk van de snavel liggen op de loer, terwijl door langdurige overbelasting ook deformatie van de snavel kan optreden — en als de snavel niet meer functioneert is de vogel ten dode gedoemd.

Dat verklaart waarschijnlijk waarom hameraars pas bij een grote energiebehoefte grotere, voedselrijke kokkels openen. Als ze het niet zouden doen, zo aan het eind van de winter met extra slecht weer, gaan ze er sowieso aan onderdoor. Dat 'hannesen' en het uitdelen van proeftikjes moet dus vooral worden gezien als onderzoek naar de schelpdikte van de prooi. Hoe dunner hoe beter: openen beperkt de energieverspilling en spaart de snavel.