Respect of ik schiet

Ontevreden taxi- chauffeurs, gekrenkte voetbalsupporters, gefrustreerde beleggers – allemaal willen ze verhaal halen. Goedschiks dan wel kwaadschiks. Het spook van de wraak heeft zijn intrede gedaan. Respect hoef je niet meer te verdienen, dat kun je opeisen.

Er waart een spook door Nederland: het spook van de wraak.

Ook op die doodgewone vrijdagmiddag 17 november. Het is een uur voordat in restaurant Kobe aan de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam drie criminele gasten door een passant met een machinepistool worden doodgeschoten. Een taxichauffeur parkeert zijn Mercedes pal voor de elektronische slagboom van de Stopera aan het Waterlooplein. Hij controleert of de deuren zijn vergrendeld en stormt dan de Blauwbrug op. De chauffeur is woest. Halverwege de Amstel grijpt hij een wandelende voorbijganger letterlijk in de kraag en maakt aanstalten hem ter plekke af te tuigen. De `arrestant' is een kantoormannetje op weg naar de metro.

Wat is er aan de hand? De klerk is op het zebrapad van de Amstel de pas afgesneden door de taxi. Hij heeft zijn ergernis afgereageerd met een schop tegen de Mercedes. Ai, een klein krasje in het plaatstaal. Dergelijke agressie tegen jouw dierbare bezit dwingt tot reactie. De taxichauffeur brengt de klerk op. ,,De verzekering betaalt'', oppert de klerk. Via zijn gsm belt hij 112. Ogenschijnlijk kalm wacht hij de komst van de politie af. Dit gebrek aan respect stemt de taxichauffeur alleen maar bitterder. ,,Hou je kop, bijgoochem, straks kan jij helemaal niet meer praten'', brult hij. Met zijn mobilofoon mobiliseert hij collega's van de Taxicentrale Amsterdam (TCA) voor versterking. Intussen blijft hij zelf, steeds ongearticuleerder, dreigementen rondslingeren.

Dit incident op het Waterlooplein bewijst op zichzelf niets. Maar het illustreert wel iets: dat het spook van de wraak zich niet meer eenvoudig laat temmen, omdat het spook door heeft dat geweld in Nederland wel degelijk loont. In Amsterdam wordt dat spook belichaamd door TCA. Sinds de centrale op 1 januari 2000 haar monopolie op straat is kwijtgeraakt, zijn sommige taxichauffeurs het spoor bijster. Wie de vijand is, weten ze niet. Het doet er ook niet toe. Iedereen is een potentiële vijand. Met een psychologische bril op is dat verklaarbaar. Jarenlang hebben veel TCA-taxichauffeurs zich gekoesterd aan de warmte van het bandeloze corporatisme dat hun leiders, met goedkeuring van het stadsbestuur, hadden uitgebouwd. Toen het uur U naderde, hebben ze zich maandenlang door hun leiders laten wijsmaken dat de nieuwe wettelijke ondernemingsvrijheid van de branche overal zou gelden, behalve in Amsterdam. Dat de liberale wind ook hun om de oren zou gaan waaien, was onbegrijpelijk. Er zat maar één ding op: verhaal halen, goedschiks bij de rechter óf kwaadschiks bij wie dan ook. Niet alleen de nieuwe concurrenten moesten het ontgelden, gewone burgers bleven evenmin buiten schot. En de politie? De politie moest, als gebruikelijk, de rommel opruimen.

De drieste chauffeurs van TCA staan niet alleen. Ze vormen hooguit de radicaalste voorhoede van een grotere groep verhaal-halers. Een willekeurige opsomming van de wraakacties uit het afgelopen jaar illustreert de trend.

Vlak voor de lente dachten de beleggers in World Online dat hun couponnetjes na de beursgang op 17 maart zeker honderd gulden per stuk waard zouden zijn. Toen ze er achter kwamen dat ze niet meer dan 25 gulden opbrachten, konden ze dat niet over hun kant laten gaan. Risico's nemen? Dacht ik niet! Ze stapten dan ook naar de rechter in de hoop daar hun schadeclaims gehonoreerd te krijgen. Er was weinig tegen in te brengen. Nina Brink had zelf de argumenten voor de dagvaardingen aangedragen, door in het prospectus om de waarheid van haar eigen financiële belang heen te draaien. Maar de heilige verontwaardiging betrof in de kern toch vooral het feit dat de aandelenkoers zich anders ontwikkelde dan was afgesproken en er geen verzekeringsmaatschappij bleek te zijn die de schade onverwijld uitkeerde.

Daarna was het een tijdje stil. Het Europees voetbalkampioenschap verliep relatief rustig. En als er al ongeregeldheden en paniek uitbraken, dan waren die snel verklaard uit het voetbal zelf. Vandalisme op en rond de velden kan ons niet meer uit de slaap houden.

In de herfst ging het ineens weer hard, zowel figuurlijk als letterlijk. Zo verscheen `misdaadverslaggever' Peter R. de Vries op 22 november voor de televisie om mee te delen dat hij de journalist Frits Abrahams naar een arena zou slepen waar de laatste zich niet aan hem zou kúnnen onttrekken. Hij was gekrenkt omdat Abrahams hem had verweten de moord op Marianne Vaatstra in Kollum te hebben gebruikt voor een mediamiek schervengericht tegen het lokale asielzoekerscentrum. De Vries bedoelde dat hij Abrahams voor de kadi zou dagen (de rechter liet hem overigens in het stof bijten), maar hij sprak de taal van de bokser die zich pas lekker voelt in een ring waar de touwen beslissen over winst of verlies.

Nog geen vier dagen later deed ex-voetbalscheidsrechter Frans Derks als voorzitter van Dordrecht '90 in de catacomben van deze club zijn duit in het zakje. ,,Je fluit als een drol'', beet hij Wout Schaap, de arbiter tijdens de wedstrijd tegen Emmen, naar eigen zeggen toe. Dat getuigde al van een ongebruikelijke behoefte om verhaal te halen. Maar volgens Schaap was het daar niet bij gebleven. ,,Ik knoop je op, ik zorg ervoor dat je hangt, ik weet je te vinden'', zou Derks hebben gezegd. Ook hier moest een rechter uitkomst bieden, de tuchtrechter van de voetbalbond wel te verstaan. Vijfduizend gulden boete plus een voorwaardelijk stadionverbod van een halfjaar was de straf. Derks denkt nog na of hij zich bij dit vonnis zal neerleggen.

Om onbegrip te vermijden: Peter R. de Vries en Frans Derks opereerden binnen de marges van de beschaving. Ze lieten hun behoefte aan wraak begrenzen door de erkenning dat ook zij uiteindelijk zijn onderworpen aan rechterlijke macht. Gelet op andere voorvallen getuigen zij zo welhaast van ouderwets fatsoen. Elders diende zich intussen een nieuwere tijd aan.

Ook hier biedt een beperkt lijstje van incidenten enig inzicht. Begin december besloten enkele bioscopen buiten Amsterdam de documentaire Ajax, daar hoorden zij engelen zingen niet te vertonen nadat anonieme supporters hadden gedreigd fysiek verhaal te komen halen op meubilair en personeel van de filmhuizen. Het ANP, een der braafste persorganen van Nederland, moest in Rotterdam na een bericht over de begrafenis van een dode Feyenoord-fan om vergelijkbare redenen zijn deuren tijdelijk sluiten. Kort daarop schrapte regisseur Gerard Timmers de opera Aïsja en de vrouwen van Medina van het programma voor Rotterdam Culturele Hoofdstad 2001, omdat enkele hoofdrolspelers waren bedreigd door mensen die vonden dat alleen zij recht hebben op een exegese van de koran. Vlak voor Kerstmis moest de politie in dezelfde stad een redacteur van het Algemeen Dagblad ontzetten, die werd bedreigd door oliebollenbakkers die ontevreden waren met de jaarlijkse consumententest van die krant en ter plekke wilden afrekenen. Den Bosch had net zijn bekomst gehad van drie nachten ME op straat. Een groep mensen was in toorn ontstoken door de dood van een doorgewinterde supporter van de plaatselijke FC, die bij een burenruzie door een angstige agent was doodgeschoten nadat hij een mes zou hebben getrokken. Een etmaal na Den Bosch ten slotte las een tiental Hells Angels (,,een motorclub van vrije jongens aan de rand van de maatschappij'', aldus de president van de chapter Amsterdam) de tv-moderatoren Frits Barend en Henk van Dorp fysiek de les uit onvrede over de kwalificatie `crimineel'. Die getuigde van gebrek aan respect.

De vuisten in de RTL-studio kwamen niet uit de lucht vallen. De toon was al gezet op 17 oktober: bij de begrafenis van Sam Klepper, het gerespecteerde kandidaatlid van de chapter dat de week daarvoor op een winkelplein in Amsterdam-Zuid was geliquideerd. Onder het motto dat ieder mens – boef of heilige – recht heeft op een begrafenis, had de politie in samenspraak met justitie besloten de uitvaart zoveel mogelijk in goede banen te leiden.

De beslissing leverde het fenomenale beeld op van Hells Angels die hun maatje in een ronkende stoet Harley's en begeleid door knallend vuurwerk naar het kerkhof escorteerden, onderwijl toegebeierd door de klokkenluider van de Westerkerk (het godshuis waar de koningin in 1998 ter kerke ging na het feest voor haar zestigste verjaardag) en bekeken door agenten die op afstand het overige verkeer regelden.

Deze uitvaartplechtigheid liet vingerafdrukken achter. Niet alleen die motorjongens, anderen aan de rand van de maatschappij putten hieruit immers eveneens de moed om verhaal te halen.

Geen misverstand. De overgrote meerderheid van het volk weet zich de meeste dagen van het jaar te beheersen. De maatschappelijke omgeving boezemt nog genoeg vertrouwen in om op kritieke momenten tot tien te tellen. Zo niet, dan is de politie meestal onder alarmnummer 112 wel degelijk bereikbaar. Gepraat wordt er bovendien ook nog. De Molukse gemeenschap, die met lede ogen toeziet hoe de dorpen van hun verwanten in Indonesië worden platgebrand, probeert bijvoorbeeld met man en macht haar radicaalste leden in toom te houden.

Maar dat is politiek. En politiek doet er niet meer toe, wordt ons regelmatig ingepeperd. We moeten juist leren leven met ,,principiële principeloosheid'', zoals de Tilburgse politicoloog Paul Frissen het vorig jaar in zijn boek De lege staat heeft geformuleerd. Want het publieke domein is volgens Frissen geen piramide meer met een `hiërarchisch karakter'. Het is een `anarchistisch' eilandenrijk geworden waarin gezag is vervangen door netwerken.

Deze uitspraak is boude contradictie, maar niet onzinnig. Het afgelopen decennium is Nederland nadrukkelijk bij de rest van de wereld aangehaakt. Wat in de jaren zestig al was begonnen, is in de jaren negentig vervolmaakt.

In de jaren zestig wrikte Nederland zich los uit een introverte cultuur waarin vrijheid altijd in gebondenheid was gedefinieerd. Hoopvol werd toen de Verlichting omarmd als dubbele remedie tegen de benepen stagnatie van voorheen. Via persoonlijke ontplooiing zou de burger niet alleen zichzelf verheffen, maar ook zijn buren. Hoe vrijer de burger, hoe vrijer de samenleving als geheel. Eén plus één kon misschien wel drie worden. De avant-garde begon alvast in eigen kring. Wie niet meteen in deze nieuwe vorm van verheffing kon meekomen, kreeg een paar duiten voor een `boterham met tevredenheid'.

Die politieke vertaling heeft, zoals bekend, een paar centen gekost. Maar liefst twintig jaar gingen voorbij voordat het project aan zijn tweede leven kon beginnen. Maar na talloze saneringsoperaties was het medio jaren negentig dan toch zover. Voortvarend werd de deregulering van het maatschappelijk bestel ter hand genomen. Talloze collectivistische verworvenheden (zoals de WAO) zijn opgeschoond of geprivatiseerd. Wat een kwart eeuw eerder was blijven liggen – de liberalisering van het individu – is nu afgemaakt. Iedereen kan nu aan de wedstrijd om de vrijheidsbokaal meedoen.

Sneeuw? Ze zouden het moeten verbieden'', zeiden twee jonge vrouwen tegen elkaar toen ze afgelopen woensdagmiddag in het centrum van Amsterdam een dagje uit waren. Ze lachten er een beetje bij, kennelijk vermoedend dat ze de dienstdoende weergoden toch niet mobiel zouden kunnen bereiken.

De twee vrouwen zijn niettemin de exponenten van een tijd. Ze vertolken een nieuw maakbaarheidsideaal. Was maakbaarheid in de jaren zestig/zeventig nog een collectief en politiek begrip (dat wil zeggen voorbehouden aan politici), nu is het een individuele wens waarnaar we allemaal mogen streven.

Geen verstandig mens kan ontkennen dat deze vorm van maakbaarheid een stap vooruit is. De oude standen- en klassenmaatschappij hield te veel mensen gevangen onder de streep die de burgerij van de onderste lagen scheidt.

Maar het nieuwe maakbaarheidsideaal maakt de samenleving ook minder overzichtelijk. Wat drie decennia terug was voorbehouden aan een elite van vlak voor en vlak na de oorlog – die had een redelijke opleiding genoten, werd in staat geacht enigszins te abstraheren en was demografisch een falanx – is nu binnen ieders bereik gekomen. Maar wat te doen als dat niet snel genoeg lukt? Dan wordt het geduld op de proef gesteld. Dan kan de open vraag `heb ik iets van je aan?' de knokpartij het alibi verstrekken dat de uitdager ter rechtvaardiging nodig heeft. Want waarom heeft de succesvolle burger wel recht op respect en de minder geslaagde dat niet?

Op het voetbalveld heeft die hunkering naar respect zich het eerst gemanifesteerd. In navolging van Amerikaanse rappers en Russische kroegtijgers nemen de spelers er ook hier geen genoegen meer mee dat ze respect met hun benen moeten afdwingen. Ze eisen al voor de aftrap het respect op dat hun rechtmatig toekomt. De betekenis van het woord is ingrijpend veranderd. Respect is geen geestelijke gemoedstoestand maar een fysieke uitdaging.

De brave burgers lopen, in het zicht van met bloed doorlopen respectogen, vaak een blokje om. Zij kennen intuïtief de wet van de liberale bestuurder Henk Vonhoff dat elke maatschappij maximaal 5 procent hopeloze gevallen kan verdragen. De voortrekkers van weleer daarentegen begrijpen het niet meer. De mensen voor wie zij zich indertijd het vuur uit de sloffen hebben gelopen, beginnen nu ineens te dreigen. Voormalig Nieuw-Linkser Marcel van Dam belichaamt deze angst fraai. In de Volkskrant van 14 december heeft hij zijn hart aldus gelucht: ,,Tot mijn grote ergernis heb ik vaak moeten constateren dat het volk heel traag is met het adapteren van veranderingen.'' Van Dam wil voorwaarts en begrijpt niet dat er nog drempels op de weg liggen. Zoals de automobilist met de sticker `Opzij, ik ben op weg naar Ajax' de lummelende voetganger maande, zo waarschuwt hij nu heel Nederland.

Staat de Nederlandse beschaving inderdaad aan de rand van de afgrond? Nee. Nederland is bij uitstek een natie waar woord en daad ver uit elkaar liggen. Brulapen worden hier nog altijd relatief geruisloos en vooral administratief gesmoord met een bombardement van geld en goede woorden.

Dat heeft voordelen: de soep op tafel is vaak al lauw voordat die wordt verorberd. Het heeft ook nadelen: de ingrediënten in de soep verliezen hun primaire smaak en lijken daardoor onschuldiger dan ze zijn. Marcel van Dam mag zich dan ergeren, die ergernis overschrijdt de codes van de civilisatie niet. Aan de randen van het soepbord kan de irritatie onder het minder `adaptieve' volk daarentegen ook losbarsten. Daar is geduld nog steeds een schone zaak, maar het is wel een schaarser goed in onze sociale economie aan het worden. Terwijl de meerderheid van de burgerij haar risico's heeft afgedekt met een verzekeringspolis, daagt dit deel van het volk `assurantiemaatschappij Nederland' juist uit. Wie niet verzekerd is, moet tenslotte anderszins verhaal halen. Als respect wordt gekrenkt, is wraak geboden.

Dat is in eerste instantie een strafrechtelijk probleem. Maar het is niet louter en alleen een zaak voor de politierechter. Al is het maar omdat wraakzucht zich niet tot Nederland beperkt. In zijn wilde, soms zelfs ontspoorde boek False Dawn uit 1998 probeert de Britse politieke filosoof John Gray de wortels ervan juist buiten het strafrecht te traceren.

Sinds de val van de Muur in Berlijn zijn grote delen van de wereld volgens hem in de greep van een universeel maakbaarheidsideaal dat alle heil verwacht van één vrije markt. Het is een `utopisch project' dat traditionele lokale gemeenschappen en markten overspoelt. Allerlei plaatselijke instituties worden door de vloedgolf ontworteld. Gray wil niet terug naar conservatieve of communistische tijden. Hij vreest wel dat de nieuwe utopie zich in haar eigen staart zal bijten. ,,Het is een permanente revolutie die aan het verleden geen enkel gezag toekent. Ze verklaart het precedent ongeldig, snijdt de draden van het geheugen door en verstrooit lokale kennis.'' Dat is de voorbode voor anarchie, aldus Gray – niet voor de sociale anarchie waarvan Kropotkin droomde en die Frissen aanvaardt, maar voor een ongebreidelde anarchie waarin alles en iedereen met elkaar `rivaliseert'.

Zover is het anno 2001 niet. Onheilsprofeten miskennen nog altijd de sociale macht van de burger. De burger wil niet dat er in televisiestudio's of op straat grenzen worden overschreden om welke rivaliteit dan ook te beslechten. De burger heeft juist de pest aan het asociale adagium `moet kunnen' en doet daarom zijn best in eigen kring zoveel mogelijk cohesie te realiseren. Maar dat laat onverlet dat ook in Nederland een minderheid smacht naar respect tot nagenoeg elke prijs, respect in de nieuwe zin des woords.

Alleen al daarom is het in onze, volgens Paul Frissen, `lege staat' geen overbodige luxe de Russische filosoof Nikolaj Berdjajev weer ter hand te nemen. In 1937 schreef hij in ballingschap een studie over de kracht van de bolsjewieken. Berdjajev was een intense en christelijke Rus. Hij zocht het in de zonde en het noodlot. Het handelen van de individuele mens was in zijn ogen geen categorie. In die zin biedt hij geen uitkomst. Maar zijn analyse van de ontwikkelingsgang van het marxisme in het Oosten is actueel. Anders dan in het Westen liet het marxisme zich daar primair drijven door `haat en ressentiment'. Daarom werd het `totalitair'.

Men zegt dat de tijd van het -isme voorbij is, definitief en onomkeerbaar. Dat klopt, althans als het gaat om een klassiek -isme dat zichzelf uitspreekt in een manifest of programma en anderen uitdaagt met een club of vereniging. Het klopt al een stuk minder als je het -isme minder formalistisch benadert. Wie goed kijkt, ziet dan een spook de kop opsteken: het spook van het revanchisme.