Rabbijnen zijn Barak nog niet kwijt

Alle peilingen wijzen uit dat Sharon in februari de nieuwe premier van Israël wordt. Maar peilingen onder het sterk verdeelde volk zeggen niet alles: Barak heeft nog speelruimte om terug te slaan.

Terwijl de kansen op een Israëlisch-Palestijnse vrede opnieuw lijken af te nemen, heeft de oppositie tegen premier Baraks vredesconcessies de wind in de zeilen. Volgens de meeste opiniepeilingen loopt Likud-leider Ariel Sharon in de strijd om het premierschap zelfs uit op Barak. Volgens een peiling in het blad Maariv geeft hij op 6 februari met 51 procent van de stemmen op zijn naam Barak het nakijken. Barak komt niet verder dan een schamele 27 procent. Mocht er alsnog een vredesakkoord komen, dan stijgen de kansen van Barak snel, maar nog niet genoeg om Sharon voorbij te streven.

De ervaring leert dat Israëlische peilingen, in een land dat van de ene in de andere emotie valt, niet vast op koers liggen. Barak is er dan ook van overtuigd dat het volk voor hem zal kiezen als hij met een handdruk met de Palestijnse leider Yasser Arafat toch nog een einde weet te maken aan de honderd jaar lange botsing tussen het zionisme en Palestijnse nationalisme. Dat moet dan wel snel gebeuren omdat Palestijnse aanslagen in Israël de emotionele, religieuze en politieke oppositie tegen Barak vleugels geeft. De bres die de tweede, gewapende Palestijnse onafhankelijkheidsopstand in het Israëlische zelfvertrouwen heeft geslagen, is de bron waaruit de oppositie put.

Droevig gaan de Israëliërs dan ook het nieuwe jaar in. Er zijn wel feestjes en diners in restaurants, maar niet op een schaal zoals in vorige jaren. De Israëliërs trekken zich onder druk van het aanhoudende `slechte' nieuws in hun schulp terug. Steeds minder mensen lezen kranten en ze kijken ook niet meer naar het nieuws op de televisie. Ze willen in een schijnwereld van rust leven, en niet telkens worden overvallen door nieuws over een bomaanslag in een bus, een aanslag op kolonisten of het sneuvelen van soldaten. Dat de Palestijnen tienvoudig lijden en ook economisch in een noodsituatie verkeren, is in het debat over de intifadah nauwelijks een argument.

Israël is door en door murw van de situatie. Dat verklaart ook de betrekkelijke onverschilligheid waarmee op straat wordt gereageerd op de grote vredesconcessies die Barak voor vrede met de Palestijnen wil doen. Arafat mag dan wel aarzelen de ideeën van president Bill Clinton voor vrede te aanvaarden, voor de Israëliërs zou terugkeer naar de bestandslijnen van 1967 en ontmanteling van tegen de honderd nederzettingen, plus daarbij nog eens de deling van Jeruzalem, als een enorme schok moeten komen. Niets is minder waar, de peilingen ten spijt. De resultaten daarvan worden via telefonische informatie gecompileerd. De straat reageert nauwelijks. Spontane demonstraties in steden, op Jeruzalem na, blijven uit.

Op dit moment bestaat de indruk dat dezelfde groeperingen die storm liepen tegen de vredespolitiek van premier Yitzhak Rabin, ook nu de toon zetten van het verbale protest. Het zijn weer rabbijnen die met hun aan religieuze teksten ontleende retoriek die enge sfeer scheppen die heerste voor de moord op Rabin in 1995. Ze zien Baraks plaats in de hel, maken hem en zijn ministers uit voor linkse stommelingen en zeggen dat iedere daad die de situatie kan veranderen, de zegen van de rabbijnen heeft. Kolonisten dreigen met een burgeroorlog als het leger opdracht zou krijgen tot ontmantelingen van nederzettingen.

De mengeling van nationalistische en religieuze emoties over de deling van Jeruzalem en de opgave van de Tempelberg/ Haram al-Sharif verhit de gemoederen. Rabbijnen en nationalistische politici zeggen dat dit is te vergelijken met het snijden van het hart uit de joodse geschiedenis en de staat Israël. Zonder Israëlische heerschappij over de Tempelberg, waar de twee tempels hebben gestaan die door de Perzen en Romeinen zijn verwoest en waarop al meer dan duizend jaar de Koepel van Rots en Al-Aqsa moskeeën prijken, verliest de terugkeer naar Zion volgens deze redenering zijn betekenis. `Wie Jeruzalem vergeet, verliest zijn rechterhand' is een oud joods gezegde dat nu sterke emotionele politieke betekenis krijgt.

Het socialistische seculiere zionisme dat aan de basis van de stichting van de moderne staat ligt, richtte zich niet op de Tempelberg. Voor de oorlog van 1967, toen Oost-Jeruzalem in Jordaanse handen was, werd in Israël tenminste in het openbaar nooit gesproken over de noodzaak de Tempelberg te bevrijden. Sedert dit heiligdom in de zomer van 1967 in Israëlische handen viel, is met de messianistischee verrechtsing van de politiek de Tempelberg het symbool van het bestaan en overleven van Israël geworden. Wie daar aan tornt, plaatst zich buiten de joodse geschiedenis, wordt in deze kringen gezegd. Dat is het argument van de kolonisten en vrome tegenstanders van vrede met de Palestijnen tegen opgave van Oost-Jeruzalem en delen van het historische vaderland.

Het Israëlische volk is duidelijk verscheurd. De grote meerderheid achter de bestandslijnen van 1967 in het `kleine Israël' reageert niet of lauw op de vredespolitiek van Barak. Daar zit de speelruimte voor Barak om, indien er toch nog een doorbraak met de Palestijnen komt voordat president Clinton op 20 januari van het toneel verdwijnt, zijn achterstand op Sharon weg te werken.

    • Salomon Bouman