Pessimisme

In een commentaar op het cultuurdebat dat sinds enige tijd in deze krant woedt, schreef Ileen Montijn hier op 27 december: ,,Rudy Kousbroek ziet het somber in, en ik gloei mee met zijn ontzetting over die alomtegenwoordige stupiditeit, de epidemische geldpest. Maar zijn pessimisme is niet terecht.''

De betekenis van deze passage, daar kan toch geen misverstand over bestaan, is dat Ileen weliswaar hetzelfde ziet als ik, en er zelfs over meegloeit, maar dat ik een pessimist ben en zij niet.

Waarom deel ik niet in dat privilege? De verklaring die in de volgende regel gegeven wordt luidt: ,,Er is van alles meer dan ooit tevoren, ook van de beschaving.'' Dat is een inzicht dat ik blijkbaar niet geacht word te delen.

Pessimisme is een geloof, het geloof dat het alleen maar slechter kan worden en dat vroeger alles beter was. Maar dat geloof deel ik helemaal niet, integendeel, ik ben van mening dat wij er beter aan toe zijn dan in het verleden. Maar het moet toch mogelijk zijn te constateren dat iets niet goed is, en zelfs dat het slechter wordt, zonder dat dat aan pessimistische beginselen wordt toegeschreven – als ik schrijf dat het slecht gaat met de spoorwegen dan is dat niet uit pessimisme, en ook niet uit nostalgie naar de trekschuit. Zo ook wanneer ik vaststel dat er nu gekkekoeienziekte bestaat en vroeger niet – zulke constateringen zijn niet een uiting van nostalgie, maar van kritiek.

Die kritiek is ook verweven in wat ik beschouw als de vooruitgang. De inventaris daarvan coïncideert min of meer met wat het geloof niet als zegeningen uit de hemel beschouwt. Er is nog nooit, in geen enkele kerk, een dankdienst gehouden voor het elimineren van de kraamvrouwenkoorts, voor de overwinning op de pokken of de ontdekking van penicilline. Er wordt nooit voor de wetenschap gebeden, nooit gesmeekt dat God, al of niet op voorspraak van de Heilige Maagd, moge bewerkstelligen dat de remedie wordt ontdekt tegen aids. Dat alles valt vrij nauwkeurig samen met het domein van de vooruitgang zoals ik mij die voorstel.

De formule `er is van alles meer dan ooit tevoren, ook van de beschaving' zou ik zelf misschien niet zo gauw hebben gekozen, al begrijp ik wel wat ermee bedoeld wordt; het roept bij mij eerder associaties op met overbevolking, meer met de toename van geweld dan met een overvloed, `meer dan ooit tevoren', aan ruimte en groen; dat is niet uit perversiteit, niet uit pessimisme, maar eenvoudig uit een geest van kritiek.

Kritiek is niet populair. Het wordt vaak geïnterpreteerd als iets inherent negatiefs, de manifestatie van een negatieve instelling. En het is niet te ontkennen dat kritiek op een soort pessimisme berust, namelijk op een systematische twijfel aan de goedheid van de mens en het optreden van wonderen. In die betekenis is pessimisme eenvoudig hetzelfde als gezond verstand; je zou kunnen zeggen dat democratie op pessimisme berust, namelijk op georganiseerde achterdocht tegen gezalfden en dictators (en managers) – en op scepticisme: wonderen gebeuren niet, daar hoeft niet op te worden gerekend, het cultiveren van die verwachting kan alleen maar leiden tot pijn en verdriet.

Daarom sta ik wantrouwend – pessimistisch zo men wil – tegenover het recente optimisme over de free market forces, die alles wel zullen regelen en de literatuur en de kunsten bevorderen zonder dat iemand hoeft te begrijpen hoe dat in zijn werk gaat, en waarom niet met evenveel waarschijnlijkheid het omgekeerde is te verwachten. Dat wat Ileen Montijn voor mijn pessimisme aanziet is denk ik een zeker vertrouwen in de rede en een daarop berustende achterdocht tegen het geloof in blinde processen, waaronder het marktmechanisme in zijn nieuwe rol als brenger van de beschaving.

Heb ik nog iets verzwegen, geheime zieleroerselen? Jawel, een zekere berusting in de vergeefsheid van alles, mono no aware, misschien is dat iets dat Ileen Montijn in mijn geschriften heeft opgemerkt en waar zij op reageert. Dan moet ik haar gelijk geven, de kleur van de werkelijkheid is voor mij onherroepelijk vervuld van melancholie, dat is altijd zo geweest, misschien omdat ik op jeugdige leeftijd in aanraking kwam met het onstilbare heimwee, `de weg weten', zoals ik het eens heb genoemd, `in een huis dat niet meer bestaat'.

Overigens ben ik het volkomen met Ileen Montijn eens dat de nieuwe eeuw, ja zelfs het nieuwe millennium, op 1 januari aanstaande begint, en dat mijn devies: `Het geloof in de heilzaamheid van het marktmechanisme is het obscurantisme van de nieuwe eeuw' dus pas op die datum van toepassing wordt.