Nooit meer stil

Veertig procent van de Nederlanders ondervindt ernstige geluidsoverlast. Het land wordt steeds lawaaieriger: er komen meer auto's en vliegtuigen, en overal hangen luidsprekers. Maar er is hoop. Een aantal grootwinkel- bedrijven voert `mu- ziekvrije' perioden in.

Het is vol in 't Korfke, een koffiehuis in een Eindhovense winkelstraat. Overal zitten mensen te kletsen en in appelpunten te prikken. Het is kersttijd, dus even zoveel stoelen worden bezet door grote boodschappentassen. Lia Verhaar kijkt om zich heen. Boven haar hangt een luidspreker waaruit `Stille Nacht' voor panfluit en strijkorkest sijpelt.

Ze weifelt. Maar na een engelachtig kinderkoor en een kerstliedje met schuiftrompet wordt het haar toch te veel. Ze vraagt of de muziek zachter of wellicht uit mag. De ober reageert verbaasd. Gezichten aan belendende tafeltjes draaien in onze richting en laten de blik op Verhaar rusten. Afgemeten zegt de ober dat hij het aan zijn baas gaat vragen. Het antwoord is nee. ,,De standaard-reactie'', stelt Verhaar vast.

Vijf jaar geleden richtte ze de stichting Bestrijding Akoestische Milieuvervuiling (BAM) op, en vond medestanders in de oorlog tegen de zoete winkelmuziek die haar `onpasselijk' maakt. ,,Maar het leefde al veel langer bij mij. Dan zat ik buiten op de stoep te wachten op mijn beurt bij de dokter, omdat hij dacht zijn patiënten in de wachtkamer een plezier te doen met een muziekje. Of liep ik de kapper uit, omdat ik al een half uur onder zo'n luidsprekertje zat.''

Ze werpt een dodelijke blik op het plafond. ,,We hebben net de sinterklaasliedjes achter de rug, nu is het de beurt aan het kerstrepertoire. Ik ken mensen die de laatste twee maanden van het jaar nauwelijks meer de straat op kunnen. Voor hen is het een vorm van emotionele verkrachting. We zitten hier nu in een café omdat we koffie willen en een appelpunt. Stel: ze proppen je een glas karnemelk met een kom snert naar binnen – dat pik je toch ook niet? Zo is het ook met die muziek. Niemand heeft er om gevraagd, maar er valt niet aan te ontsnappen.'' Jarenlang dacht ze dat ze de enige was. ,,Maar nadat ik een brief had gestuurd naar een radioprogramma, begon ik te beseffen dat er sprake is van veel onuitgesproken leed. Op de uitzending volgden honderden reacties. Tegenwoordig houden we bijeenkomsten waar iedereen ervaringen kan uitwisselen.

,,Ik heb me in het begin vaak een aansteller gevoeld. Dat komt door de maatschappij. Klagers zijn spelbrekers. Hoewel niemand om deze akoestische vervuiling heeft gevraagd, legt iedereen zich er bij neer. Wie is er dan gek?''

Stichting BAM (gesteund door onder anderen Kees van Kooten, Gerrit Komrij en Judith Herzberg) biedt haar sympathisanten niet alleen een strijdvaardig huisorgaan en een luisterend oor. Er is een lijst samengesteld van winkels en restaurants waarin geen muziek wordt gedraaid, en die lijst groeit. Bovendien heeft Verhaar bij verschillende filialen van grootwinkelbedrijven `muziekvrije perioden' bedongen, zoals in de Albert Heyn in Veenendaal. Elke dag is het in deze Albert Heyn stil tot elf uur. Blokker heeft bij wijze van proef de muziek uitgezet in drie filialen.

Kees van Maanen, nu AH-filiaalhouder in Apeldoorn, was de man tot wie Verhaar zich indertijd met haar vraag richtte. ,,Ik heb er wel een poosje over moeten nadenken'', herinnert hij zich. ,,Dat mensen last hebben van muziek, kun je je nog enigszins voorstellen, maar dat ze er ziek van worden is toch moeilijker.'' Zijn afwegingen waren uiteindelijk die van een grootgrutter. ,,In onze formule hoort achtergrondmuziek. Maar je houdt nu eenmaal rekening met je doelgroep, dat doe je ook met je assortiment. Het is een maatregel die geen verdere kosten meebrengt. En ik heb nooit iemand horen klagen dat het zo stil was.''

Het oor is, tezamen met het oog, het meest gebruikte zintuig van de mens. Deze zintuigen zijn essentieel voor het functioneren in de samenleving en de hele dag worden ze belaagd door impulsen. Het oog lijkt nauwelijks blootgesteld aan overlast. Wie iets niet wil zien, zet de televisie af of draait zijn hoofd in de andere richting. Het oor heeft het beduidend moeilijker.

,,Ongeveer 40 procent van de Nederlandse bevolking ondervindt ernstige overlast van enige vorm van geluid'', aldus Jan Kramer van Stichting Geluidshinder. Van de totale ernstige geluidshinder neemt wegverkeer met 43 procent de koppositie in, gevolgd door burengerucht met 22 procent, zegt hij. ,,Geluid vormt dus een forse aanslag op het welzijn van miljoenen mensen.''

De Nederlandse Stichting Geluidhinder (NSG) is een grotendeels door de overheid gefinancierde organisatie waar mensen met hun vragen terecht kunnen. Kramer: ,,We geven praktische adviezen, al vormt luisteren een bijna even belangrijke functie. Veel mensen die last hebben van geluid, kunnen nergens heen. Ze horen een ruis die verder niemand hoort, of ze ergeren zich aan iets waar niemand zich aan ergert. Die mensen staan alleen, en worden wanhopig in het besef dat geluid alomtegenwoordig is. Oren staan altijd open en geluid komt altijd binnen. Beginnen mensen zich eenmaal te ergeren, dan gaat het vaak van kwaad tot erger. In plaats van dat ze zich afsluiten, scherpen ze hun gehoor.'' Het verband tussen geluidshinder en gezondheid vindt hij `moeilijk'. Uit onderzoek van onder meer TNO blijkt dat geluid van invloed is op de nachtrust en het geestelijke welbevinden. ,,Maar het blijft altijd de vraag hoeveel. Als iemand te veel zout eet, problemen heeft op zijn werk en aan een lawaaierige straat woont, hoeveel van de hoge bloeddruk komt dan voor rekening van geluid? Daarbij komt dat de gevoeligheid voor geluid verschilt bij ieder individu.''

Wel meent Kramer dat men gevoeliger wordt voor geluid. Kramer: ,,Als ik kijk naar de overlast door de jaren heen, dan zie ik dat die nauwelijks is afgenomen. Vanaf 1987 schommelt de ernstige geluidshinder rond het huidige percentage, terwijl er enorme investeringen zijn gedaan in zachter asfalt, geluidsschermen, woningisolatie en dergelijke. De auto's zijn per voertuig stiller geworden, maar de herriereductie wordt volkomen tenietgedaan door de groei van het autoverkeer. Het is de problematiek die hoort bij een propvol land. De 24-uurseconomie heeft het hele etmaal met geluid gevuld en ruimtelijk is het eveneens bezig met een gestage opmars. En zolang die opmars voortzet, wordt stilte schaarser.''

In een vol land maakt de toename van geluid het voor velen nog voller. Kramer: ,,Je moet voorzichtig zijn met vergelijkingen, maar ratten worden agressief als ze te weinig ruimte hebben. Voor veel mensen heeft geluid een ruimtelijke dimensie. Voor hen neemt geluid plaats in, waar zij op dat moment niet kunnen zijn. Laatst had ik iemand aan de lijn die het effect van een zoemend apparaat van de buren omschreef als `huisvredebreuk'.''

De oren worden gevoeliger, terwijl het lawaai aanzwelt. Om de burger tegen het geweld te beschermen, bestaan er wetten. De Wet Milieubeheer waakt over de decibellen afkomstig van industrie, de Luchtvaartwet over die van vliegvelden en de Wet Geluidhinder gaat over het spoor- en wegverkeer. Horeca-overlast wordt per gemeente beteugeld met Algemene Maatregelen van Bestuur. ,,Burengerucht'', aldus kramer, ,,valt eigenlijk nergens onder. Daarvoor zijn plaatselijke verordeningen nodig, waarvoor een zogeheten `kapstokartikel' bestaat, dat zegt dat een gemeente nooit in gebreke mag blijven geregistreerde geluidshinder tegen te gaan. Het verschilt dus van gemeente tot gemeente of en hoeveel verhaal de burger kan halen.'' In de praktijk komt de handhaving van alle geluidswetten te liggen bij de lokale overheden. Kramer: ,,Maar geregeld moeten we toch constateren dat de gemeenten niet altijd doen wat de wetgever wil. De gemeenten nemen dan geluidsoverlast minder serieus dan de rijksoverheid doet.''

Dat dit tot dramatische gebeurtenissen kan leiden, bewees de geschiedenis van het echtpaar De Lussanet. Hun verhaal begint met het sterke verlangen naar stilte en eindigt met de totale vernietiging ervan. Beiden hadden gevoelige oren en verlangden naar ruimte en rust. Voordat ze hun huis in de stad verruilden voor een boerderijtje, hadden ze jarenlang gezocht naar een plek waar de stilte gegarandeerd was.

Hun keuze viel op Woudenberg, een agrarisch dorp in een schitterende omgeving. Nu, vijf jaar later, bevindt Govert de Lussanet (53) zich in een vakantiebungalow in Noord-Holland. Zijn verblijfplaats houdt hij geheim. Sinds hij Woudenberg op aanraden van de burgemeester heeft verlaten, heeft hij op vijf verschillende plaatsen gewoond.

De boerderij die het echtpaar had gekocht, was een bouwval. Het gebouw moest grondig gerenoveerd en Govert en Renée woonden al die tijd in drie caravans. Op een zekere nacht werd Renée wakker van massaal feestgedruis. Het bleek afkomstig van hun buurman, een kleine kilometer verderop. ,,Misschien denk je: een kilometer, dat is lekker ver. Maar het feestrumoer klonk verschrikkelijk dichtbij, en er waren bijna duizend mensen bij betrokken.''

Hun buurman Geert van Donselaar gaf steeds meer feesten, soms twee per weekeinde. Soms een ruiterfeest, éénmaal per jaar het festijn Trekker-trek, autocross, en de maandelijkse grootschalige bijeenkomsten van de PJGU, een gezelligheidsvereniging voor plattelandsjongeren. ,,Wij hadden de bestemmingsplannen bestudeerd voordat we ons huis kochten. Wij wisten dus dat die feesten niet mochten. We hebben geprobeerd met die buurman te praten, maar dat was onmogelijk. Toen zijn we naar de gemeente gegaan, en men gaf ons gelijk. Dat stelde ons gerust. We lazen toen in het plaatselijke krantje dat een verbod in de pijplijn zat. Desondanks gingen die feesten door.''

Het echtpaar besloot met de burgemeester, de ex-parlementariër Krajenbrink (CDA) te gaan praten. In een vertrouwelijk gesprek zei hij reeds bezig te zijn met het terugbrengen van het aantal festiviteiten tot vijf per jaar. ,,Hij zei dat we geduld moesten hebben tot de zomer, dan zou hij het besluit bekendmaken. Maar na de zomervakantie lazen we ineens in de plaatselijke krant: college van B en W geeft toestemming voor schuurfeesten.''

Ongeveer toen begon de escalatie. ,,Wij namen een advocaat in de arm, die zei dat we iedere vergunning moesten aanvechten. Bij de eerste beroepszitting zei Van Donselaar: `Ik maak jullie een kopje kleiner.' De burgemeester had al tegen ons gedreigd dat, als we er een advocaat bij haalden, het oorlog zou worden.

,,'s Nachts hielden groepjes fietsers belconcerten bij onze oprijlaan. Er kwamen anonieme telefoontjes en de bomen langs onze weg werden beschilderd met doodshoofden. Een keer kwam een aantal onbekenden met trekkers in het holst van de nacht het terrein op, haalde de knalpotten van de uitlaat en stak vuurwerk af boven onze caravans. Een half uur later ging de telefoon, waarin ik duidelijk de stem van Van Donselaar herkende: `Nu weten jullie pas wat lawaai is.' Bang waren we niet. Wel werden we strijdbaarder. Op een geven moment hing er een varken ondersteboven aan een boom van onze oprijlaan. Op zijn buik stond geschilderd: `Pas Op', met in de O een mes gestoken. Een politieman ter plekke zei: `Dit is een concrete doodsbedreiging.' Zelf voelden we dat ook zo. Maar het deed niets af aan het gevoel dat we in ons recht stonden.''

Toen kondigde de plaatselijke krant het ruiterfeest aan, dat naadloos zou uitlopen in een midzomernachtfeest. ,,We besloten niets te ondernemen, alleen de gemeente te bellen. Daar wist men van niets, zei men. Het rare was dat het feest niet doorging. De nacht vóór het feest zou zijn gevierd, kwamen ze met pikhouwelen. We sliepen nog altijd in onze caravans. Ongeveer vijf mannen sloegen alles aan puin. Alle ramen vlogen naar binnen, we lagen te schudden in ons bed. `Dood aan De Lussanets' werd geroepen, en nog veel meer. Toen de politie kwam, waren de mannen al verdwenen. We deden ons verhaal, en de politie verdween weer. Tja. Toen stonden we daar om vijf uur in de morgen, het werd al licht. Ik geloof dat we ons toen pas echt gewonnen gaven.''

Sinds anderhalf jaar is De Lussanet overspannen. Hij werkt niet meer. En sinds zijn vrouw Renée een jaar geleden aan kanker overleed, is hij alleen. ,,Dat de Raad van State ons in het gelijk heeft gesteld en de schuurfeesten heeft verboden, kwam voor ons te laat. Terugkijkend denk ik dat we de strijd nooit hadden moeten beginnen. Een bestemmingsplan is niet sterk genoeg als je tegen zulke sterke lokale belangen moet oproeien.''

Bitter spreekt hij over de rol van de burgemeester, Hans Krajenbrink, die een bemiddelende rol had moeten spelen. Krajenbrink zelf spreekt van een situatie ,,waarin alleen maar verliezers zijn''. Bestemmingsplan? ,,Kijk, je kunt de werkelijkheid van alledag niet in regeltjes vangen. Het vraagt van beide kanten wat inschikkelijkheid. Maar als mensen alleen maar op strepen gaan staan en geen centimeter wijken, dan verharden de posities zich. En met alle respect: hier kon toch nauwelijks sprake zijn van geluidsoverlast. Daarvoor was de afstand toch echt te groot.''

Jan Kramer van de NSG heeft het `geval Woudenberg' van een afstand gevolgd. ,,Het is natuurlijk van de gekke. In Nederland legt de wetgever de schuld van overlast bij de veroorzaker. In de situatie van het echtpaar De Lussanet werden zij als de schuldigen behandeld, een omdraaiing van het recht. Door de opstelling van de gemeente krijgt de veroorzaker niet het idee dat hij een overtreding begaat en wordt aangemoedigd door te gaan waarmee hij bezig is. Tegen een onwillige gemeente valt nauwelijks te knokken. Ik zie eigenlijk niet hoe de De Lussanets beter hadden kunnen opereren, want ze stonden in hun recht.''

Maar het gaat niet altijd verkeerd. Loes Groters (45) wil niet met haar echte naam in de krant, omdat ze ,,eindelijk een redelijke verstandhouding'' met haar omgeving heeft. Haar omgeving is de PC Hooftstraat in Amsterdam, en dan vooral de kledingwinkels beneden.

,,Toen ik hier begin jaren negentig kwam wonen op de eerste verdieping van een woonhuis, was dit nog een gewone straat met een bakker en een slager. In enkele jaren tijd werd de PC Hooftstraat een exquise winkelstraat, met weelderige etalages. De etalagepoppen werden uitgelicht met vloerspotjes en baadden in de helle gloed van schijnwerpers, en al dat licht veroorzaakte een hitte die moest worden afgevoerd met ventilatoren. Groters: ,,Van de ene dag op de andere bevond zich een geluid in mijn huis. Het was een soort lage, alles doordringende brom. Wat bleek? Ze hadden de ventilator aan het plafond pal onder mijn bed bevestigd.

,,Er zat een thermostaat op waar het winkelpersoneel niets van snapte. Dat ding kon dus zomaar midden in de nacht aanslaan. Als ik hard muziek draai, wat af en toe heerlijk is, voel ik me altijd een beetje schuldig. Maar voor dit soort apparaten lijkt niemand zich verantwoordelijk te voelen. Het was een geluid waar ik niet aan kon ontsnappen. Het probleem is dat je de volgende dag gewoon weer naar je werk moet. Het putte me uit.''

Het duurde niet lang of Loes Groters had last van drie turbines. Als de ene eindelijk zweeg, snorde er wel een ander.

,,Natuurlijk'', zegt ze, ,,we hebben een Wet Milieubeheer. Er zijn hier mensen van de milieudienst geweest die een dag hebben rondgelopen met decibelmeters. De winkeliers zaten ver boven de grens, alles moest uit. Een verpletterende stilte daalde neer, waaruit ik als het ware het getier van de gedupeerde winkeliers hoorde opstijgen. Ik besefte dat ik onmogelijk helemaal mijn zin kon krijgen. Als je in de stad woont, kun je geen volstrekte stilte eisen. Bovendien, straks zijn die milieumensen weg en moet ik weer met de benedenburen kunnen omgaan.''

Steun vond ze bij de stadsdeelraad. ,,Op een brief van mij en enkele medebewoners werd positief gereageerd. Men zag er op toe dat bij iedere nieuwe verbouwing of aanschaf van een nieuw apparaat de airco tegen een spouwmuur of op de grond moest staan. Dat gaf houvast, en het vertrouwen dat de toekomst in ieder geval niet slechter kon worden.

,,Maar vooral heb ik geleerd contact te houden. Praatjes maken, af en toe een doos bonbons of een flesje wijn brengen en altijd vriendelijk blijven. Na zeven jaar gebeurde er een wonder. Er kwam weer een nieuwe gebruiker van de winkelruimte, en toen ik die vroeg of die ventilator op een andere plaats kon dan onder mijn slaapkamer, vond hij dat geen probleem. Een grote vooruitgang! Een volgend winstpunt was dat ik bij één van de winkels een regeling kon treffen met de beheerders van de winkel. Als hun ventilator aansloeg, kon ik hen bellen. Ze zijn erg aardig; zelfs als het twaalf uur is, komen ze het ding nog uitzetten. Maar wat om één uur 's nachts? Je wilt ze niet bruuskeren want je blijft van ze afhankelijk.''

Als ze terugkijkt op haar strijd, is ze niet ontevreden. ,,Als ik alles van tevoren had geweten, weet ik niet of ik wel in dit huis was gaan wonen. Maar vergeleken met vroeger is de situatie veel beter. Ik heb nog maar last van één van de winkels. Dus: eind goed, bijna goed. Vervelend blijft dat je afhankelijk blijft van goodwill, en als ik met een flesje wijn aankom, zie ik de meisjes alweer denken: `Heb je dat mens weer'. En hoewel het aantal geluidsbronnen is teruggeschroefd, kan er altijd weer één aanslaan. Dit huis is nooit meer veilig.

,,Misschien wel het vervelendste vind ik dat ik gedurende de afgelopen jaren ben veranderd. Ik ben licht gedeformeerd geraakt. Als zo'n ventilator aanslaat, schiet ik onmiddellijk in een depressie. Waar ik ook ben, ik hoor alles. Gaan we een hotel in, dan gaat mijn vriend gelaten op het bed zitten. Pas als ik elke kamer heb bekeken op afstand tot de liftschacht, trappenhuis en zomeer, en wij de allerstilste hebben, kan ik een besluit nemen. Ik ben een geluidsneuroot geworden, en dat bevalt me niet.''