Nieuwe Economie wacht jaar van dopingtest

Sneller, verder en hoger moesten economie en bedrijfsleven, maar dat lukte in 2000 niet meer zonder boekhoudkundige doping. Dat wordt afkicken in het komende jaar. Met risico's voor de beurzen en de dollar.

Ze hadden een license to kill, en koelbloedig voerden ze hun opdracht uit. De Belgische tak van Loeff Claeys Verbeke en het Amerikaanse advocatenkantoor Brian Cave spitten na klachten van boze, teleurgestelde aandeelhouders door de boeken van het Belgische bedrijf Lernout & Hauspie. Wat ze vonden werd gekenschetst als `fraude op grote schaal': geantidateerde contracten, geheime brieven en als omzet geboekte ruiltransacties waaraan geen geld te pas kwam. De boekhoudfraude werd geschat op rond de 277 miljoen dollar. Lernout & Hauspie, de pionier van de spraaktechnologie, hoogvlieger van de Nasdaq, viel diep. Ongeveer even diep als softwarebedrijf Baan vorig jaar, waar ook onregelmatigheden in de boekhouding leidden tot de val van het bedrijf.

Als één onderwerp voor het komende jaar op de agenda zou moeten komen, dan is dat boekhouden en statistiek. Of liever: creatief boekhouden en creatieve statistiek. De drang tot prestatie van bedrijven én van economieën is de laatste jaren sterk toegenomen. Meer omzet, meer aandeelhouderswaarde, meer groei, meer productiviteit. Net als de atleet, die conform de Olympische gedachte sneller, hoger en verder moet. Als normale prestaties daar niet toereikend meer voor zijn is de verleiding soms te groot om naar betwistbare, of verboden middelen te grijpen. Epo, nandrolon en steroïden hebben hun equivalenten in de Nieuwe Economie. En de buitenwereld is nog maar net begonnen met testen.

Hoeveel bedrijven zouden in even grote problemen komen als Lernout, er twee bloeddorstige advocatenfirma's op de boeken zouden worden afgestuurd? Veel. Amazon.com, de succesvolle Amerikaanse e-tailer is op dit moment onderwerp van discussie. De beurswaakhond, de Securities and Exchange Commission heeft een onderzoek lopen naar de boeking door Amazon van betalingen door partnerbedrijven in aandelen. Die zouden als kasgeld worden opgevoerd, terwijl de waarde geheel niet vast is – zeker niet in dit beursklimaat. Analisten van zakenbank Lehman verdenken Amazon ervan de kosten van het verzenden van producten te hebben geboekt als marketingkosten, waardoor de brutomarge veel hoger uitpakt dan werkelijk het geval is. Nog veel meer bedrijven hebben zich laten betalen in aandelen, of hebben hun kasgeld geïnvesteerd in aandelen, en de waardestijging opgevoerd in de winst- en verliesrekening. Nu de koersen dalen, trekken ze dan ook de waardedaling af van hun winst, of wordt die nu plots weggemoffeld in de balans en buiten de winst- en verliesrekening gehouden? En wat is dan nog de kwaliteit van de balans?

Die balansvraag wordt des te prangender na het recordjaar 2000, waarin meer fusies en overnames werden gedaan dan ooit te voren. De drang naar consolidatie, naar schaalvergroting of simpelweg het via een grote, makkelijke daad bevredigen van het ego van de bestuursvoorzitters, leidde tot een fusie- en overnamegolf ter waarde van (voorlopig geschat) ruim 3300 miljard dollar wereldwijd. Dat is 40 procent meer dan het vorige recordjaar 1999 en zo'n zeven maal zoveel als er in de eerste vijf jaar van de jaren negentig jaarlijks aan fusies en overnames werd gepleegd.

Van de concentratiegolf valt het leeuwendeel in Europa en de VS en bestaat een nu nog onbekend deel uit overnames waarbij premies tot ver boven de beurskoers zijn betaald. De bijbehorende, als `immateriële activa' opgevoerde goodwill op de balansen moet vele honderden miljarden dollars bedragen. Die goodwill wordt de komende tientallen jaren ten laste van de winst afgeschreven. Maar welke winst? Het is de laatste jaren juist normaal geworden om bedrijven te beoordelen op de winst vóór onder meer afschrijvingen van goodwill. En dus is ook dit probleem weggeveegd onder het boekhoudkundig tapijt. Volgende generaties zullen nog lang last hebben van de dadendrang van de huidige generatie topondernemers. KPN bijvoorbeeld is pas in 2020 klaar met het afschrijven van een miljard per jaar van de betaalde goodwill voor de Duitse mobiele telefonie-aanbieder E-Plus. Goodwill-afschrijvingen duren normaal tussen de tien en veertig jaar. Tegen die tijd liggen veel daders letterlijk op het kerkhof. Los daarvan zijn er de nieuwe methodes. Twee kwaadwillende advocatenkantoren zouden, losgelaten op de manier waarop KPN de E-Plus-deal opvoert bij het eigen vermogen, op zijn minst nog een flinke discussie kunnen losmaken.

Komend jaar zal, mocht het beursklimaat blijven tegenzitten en de actiebereidheid onder ontevreden beleggers toenemen, veel discussie opleveren over de boekhoudkundige doping in het bedrijfsleven. En zal de kwestie rijzen hoe goed ondernemingen presteren zónder. Vraag is dan ook: zal 2001 eenzelfde teleurstellend beursjaar opleveren als 2000? Dat hangt samen met de ontwikkeling van de wereldeconomie en, meer speciefiek, de economische toekomst van de Verenigde Staten op de korte termijn.

De Amerikaanse economie ziet er uit als een bodybuilder: de gespierde benen van de beurzen en de dollar, het strakke kontje van het afgeslankte bedrijfsleven, en de platte ribbelbuik waarvan het laatste vet van de particuliere besparingen is afgetraind. Daarboven torent de gezwollen borstkas van de economische groei, met aan weerskanten armen als kabeltouwen voor de sterkste productiviteitsgroei van de Westerse wereld.

Hoe zijn de VS zo ver gekomen? Negen jaar hard trainen, en ijzeren discipline, is de lezing van de bewonderaars uit Europa. Maar wie in de kastjes van het krachthonk kijkt, ontdekt de nodige pillen en preparaten.

De economie van de VS zal het jaar 2000 waarschijnlijk afsluiten met een enorme gemiddelde economische groei van ruim 5 procent. Daarmee wordt een na-oorlogse record-expansie bekroond die gezorgd heeft voor de grootste ononderbroken welvaartsgroei ooit. Maar daar is wel alles voor uit de kast gehaald.

De Amerikaanse consument is feitelijk gestopt met sparen en de totale private sector heeft nu een tekort van tegen de 6 procent van het bruto binnenlands product. De totale private schuld wordt geschat op zo'n 200 procent van het bruto binnenlands product. Tegenover het private financieringstekort van 6 procent staat een financieringsoverschot van de publieke sector (de staat) van rond 2 procent. En dus moet er jaarlijks vier procent van alle uitgaven worden gefinancierd door het buitenland, in de vorm van een tekort op de betalingsbalans, dat het hoogste is uit de geschiedenis. Per dag gaat er ruim een miljard dollar van buiten de VS naar binnen, om de uitgaven daar voor te schieten. De methode om de spaarquote te meten is overigens vorig jaar opgefleurd, maar dat heeft niet kunnen voorkomen dat de spaarquote dit jaar opnieuw negatief werd. De doping werkte op dit vlak maar kort, maar een nieuw middeltje is al in de maak: een van de regionale centrale banken heeft voorgesteld koerswinsten op de beurs op te tellen bij het inkomen van consumenten, waardoor hun spaarquote weer positief wordt.

De forse onbalans die in de economie is geslopen, is tot nu toe onzichtbaar gebleven dankzij de koerswinsten op de beurs, waardoor het vermogen van consumenten zo toenam dat zij zich konden veroorloven om niet te sparen. En door de ijzersterke dollar, die dit jaar steeg naar een piek van tegen de 2,70 gulden (minder dan 0,83 dollar per euro).

De sterke dollar tekende de aantrekkelijkheid van de VS voor buitenlandse beleggers en bedrijven, en stond tot nu toe garant voor de blijvende instroom van het benodigde kapitaal. Oorzaak van die aantrekkelijkheid: de flink gestegen productiviteit van de Nieuwe Amerikaanse economie. Maar ook daar zijn inmiddels boekhoudkundige dopingvraagstukken gerezen.

Centraal daarin staat de manier waarop de prijs van technologiegoederen in de VS wordt bijgehouden. Vrijwel elk nationaal statistisch bureau corrigeert prijzen voor kwaliteitsveranderingen, zeker voor computers en verwante producten. De prestaties in snelheid en capaciteit nemen sterk toe, terwijl de verkoopprijzen min of meer gelijkblijven. Vandaar dat ook technologiegoederen statistisch gestaag in prijs dalen. Maar er zijn wel grote verschillen in de manier waarop daarmee hier en in de VS wordt omgegaan. Het verschil is inmiddels zó groot, dat de Duitse Bundesbank het in augustus nodig vond er een verhandeling aan te wijden. De Duitse technologie-investeringen groeiden in de periode tussen 1992 en 1999 gemiddeld met 6 procent per jaar, maar de Amerikaanse met wel 40 procent per jaar. Maar het Duitse statistische bureau is veel conservatiever met het toekennen van prijsdalingen door kwaliteitsverbetering. Als, zo rekende de Bundesbank voor, het Amerikaanse systeem was gehanteerd, dan zouden de Duitse technologie-investeringen met ruim 27 procent per jaar zijn gegroeid, in plaats van met 6. Het verschil in methode verklaart ruw berekend zo'n 0,5 procentpunt van het productiviteitsverschil tussen Duitsland en de VS.

Vandaar ook dat analisten zoveel waarde hechten aan het volgen van de ICT-investeringen in de VS. De cijfers zijn door de methodiek zó opgeblazen, dat de daadwerkelijke investeringen van 88 miljard dollar in het tweede kwartaal van dit jaar bijvoorbeeld, als 274 miljard `statistische' dollars in de nationale rekeningen terecht zijn gekomen. Nu het tempo van innovatie in met name de pc-sector dreigt terug te lopen (en de statistische prijzen minder snel dalen), en de groei van de investeringen in échte dollars inzakt, veroorzaakt de methode die voorheen de cijfers zo opblies nu een dubbele klap naar beneden. Volgens de zakenbank Goldman Sachs kost dat volgend jaar zo'n 0,9 procentpunt economische groei in de VS.

Inmiddels wankelt de bodybuilder op zijn benen: de lucht loopt uit de aandelenkoersen, en de dollar staat onder druk. Onder het strakke kontje van het bedrijfsleven staan de siliconenzakjes van de opgeblazen balansen op springen. Het vet op de buik keert terug, nu consumenten hun spaarquote weer op orde brengen. Volgens het American Enterprise Institute kost het geleidelijk terugbrengen van de spaarquote van nul procent naar het historisch gemiddelde van 7 procent volgend jaar al 2 procentpunt economische groei. Die economische groei wordt door de consensus op de financiële markten nu geschat op 3 procent volgend jaar, maar een aantal invloedrijke banken heeft de schatting teruggebracht tot 2,5 procent. En omdat de productiviteitsgroei weer het quotient is van de economische groei en het aantal gewerkte uren, zakt de productiviteit in.

De grote vraag is: zal de benodigde miljard dollar per dag uit de rest van de wereld intussen door het infuus blijven vloeien? Uiteindelijk zal er minder nodig zijn, als de consumptiegroei afvlakt en de invoer mee daalt. Maar in de tussentijd is het afkicken geblazen. Voor zowel het bedrijfsleven als voor de economie als geheel, lonkt een jaartje Jellinek-kliniek. En dat wordt een gevaarlijke tijd voor zowel de beurzen als de dollar, de twee pijlers onder het economische wonder van de laatste jaren.