Marx was Darwin

Amsterdams Sociologisch Tijdschrift Jaargang 27, aflevering 1/2 Boekaflevering Sociale evolutie. Het evolutieperspectief in de sociologie. Uitgeverij Wolters-Noordhoff

`Het nut van biologische evolutie als een model voor menselijke sociale verandering is nogal betrekkelijk.' Het thema van het Amsterdams Sociologisch Tijdschrift is `het evolutieperspectief in de sociologie', maar al in de eerste alinea van zijn bijdrage maakt de Amerikaanse socioloog Randall Collins duidelijk dat de sociologen hun eigen ontwikkelingsideeën hebben. Collins' bijdrage, over de vraag of en zo ja hoe hoe het Westen hoger ontwikkeld is dan het Oosten, is een van de interessantste bijdragen in de bundel. Ook in de andere bijdragen is de snel oprukkende biologisch-evolutionaire interpretatie van het menselijk gedrag ver te zoeken. Het evolutieperspectief in de sociologie blijkt vooral een visie te zijn op lange-termijnontwikkelingen in samenlevingen, geheel los van Darwins ideeën over selectie en voortplanting.

In hun inleiding op het themanummer memoreren de samenstellers Johan Goudsblom en Nico Wilterdink dat al in de achttiende eeuw het `evolutiedenken' opgeld deed, in de grote interesse voor de variatie in menselijke samenlevingsvormingen. Tot ver in de negentiende eeuw stonden deze maatschappijvergelijkingen in het teken van een groot vooruitgangsoptimisme. Pas aan het einde van de negentiende eeuw ontstond het berucht geworden sociaal-darwinisme, beheerst door de angst voor degeneratie van de maatschappij door een te grote bescherming van de zwakkeren. Sindsdien heeft darwinisme een bijsmaakje voor menig sociaal-wetenschapper. Maar ook het idee dat lange-termijnperspectieven van belang waren, raakte daarna verrassend snel in diskrediet. Zelfs in de culturele antropologie, toch de cultuurvergelijkingswetenschap bij uitstek, werd het onder invloed van Franz Boas (1858-1942) belangrijker om de individuele culturen in kaart te brengen dan om te gissen naar de stadia in de ontwikkeling van de mensheid.

De recente comeback van het lange-termijnperspectief onder invloed van de bloei van het evolutiedenken in de biologie wordt door Wilterdink en Goudsblom toegejuicht: ``Het houdt de belofte in van integratie, synthese, tegen de tendens van verbrokkeling van sociale wetenschappen.'' Dit zelfverzekerde optimisme is opmerkelijk, omdat veel van de evolutionair geïnspireerde voorvechters van deze integratie, zoals de sociobioloog E.O. Wilson en de evolutionair psycholoog Steven Pinker, meestal maar weinig warme woorden over hebben voor sociale verklaringen van menselijk gedrag.

Nergens in dit themanummer wordt direct gepolemiseerd met het sociobiologische en evolutionair-psychologische uitgangspunt dat genen een belangrijk deel van het menselijk gedrag bepalen. Zo sterk zit de klassieke sociologie kennelijk in het mentale zadel: ook de genetisch-darwinistische modegril zal wel overwaaien en de nieuwe aandacht voor lange-termijnontwikkelingen is mooi meegenomen. Sociale verklaringen voor gedrag zullen altijd belangrijker blijven. ``Sociale verandering genereert sociale verandering'', is Goudsbloms conclusie uit zijn korte civilisatie-overzicht van Homo erectus tot de huidige mondialisering (met als belangrijkste fasen vuurbeheersing, landbouw en industrialisatie). In deze ontwikkeling is volgens Goudsblom hooguit nu en dan sprake van een analogie met biologische processen.

Alleen in het stuk van sociobioloog en rechtstheoreticus Johan van der Dennen over `gewelddadige intergroepscompetitie' overheersen biologische verklaringen. De vraag is wel wat dit stuk nog met sociologie te maken heeft. Van der Dennens trekt wel interessante conclusies, zoals dat de menselijke hang naar gezelschap een typische primateneigenschap is die al miljoenen jaren geleden ontwikkeld werd. En het is óók een waardevolle gedachte dat etnocentricisme wortels heeft in de groepscompetitie die miljoenen jaren het menselijke bestaan beheerste, zoals Van der Dennen voorzichtig poneert. Maar een socioloog zal die neiging tot groepsdenken voornamelijk als uitgangspunt nemen, en zich vervolgens met behulp van sociale verklaringsmodellen bekommeren om de vraag waarom etnocentrisme in de ene situatie wel dominant is en in de andere helemaal niet. De variatie in etnocentrisch gedrag is enorm. En de oorlogen en slachtingen in Joegoslavië zijn echt niet alleen te verklaren met een beroep op ons primatenverleden. De factor `politieke manipulatie' levert daar veel meer verklarende waarde op.

Een aantal van de andere stukken in AST is duidelijk wetenschapshistorisch van aard, zoals de beschouwing van Bart van Heerikhuizen over de invloed van het `sociaal evolutionisme' in Nederland. Het sociaal-darwinisme werd in Nederland rond 1900 mede een succes omdat het zo modern was, èn omdat het anti-religieus was. Vaak speelde het marxisme een belangrijke bemiddelende rol. Bijvoorbeeld Frank van der Goes (1859-1939) propageerde het idee dat Marx voor de sociologie heeft gedaan wat Darwin voor de biologie deed.

Echte sociologie bieden de stukken van Randal Collins en Nico Wilterdink. Wilterdink analyseert de ontwikkeling van verschillende vormen van ongelijkheid in de wereld. En in een betoog vol scherpzinnige observaties bespreekt Collins op haast negentiende-eeuwse wijze de verschillende aspecten van `vooruitgang': economisch, militair, politiek, religieus, kunstzinnig, wetenschappelijk, cultureel. Collins' conclusie is onder meer dat niet de opkomst van het Westen, vanaf de achttiende eeuw, verklaring behoeft, maar de `ineenzakking' van de Oost-Aziatische maatschappij, in het bijzonder China. ``Zelfs als Europa nooit had bestaan, was een groot deel van de economische, politieke en culturele veranderingen die we associëren met moderniteit ook al te vinden geweest in China. De belangrijkste verschillen tussen Oost en West ziet Collins in de grote bereidheid van de westerse machthebbers om kapitalistische vernieuwingen te steunen (in tegenstelling tot de Chinese elitaire onverschilligheid) en de wetenschappelijke vernieuwingen in Europa sinds de zestiende eeuw.