`IK HEB HET MARKTMECHANISME ONDERSCHAT'

`Ik droomde van feestjes waarop ouders zouden zeggen: Mijn kind doet de basisvorming er daarna kijken we verder.' Oud-staatssecretaris van Onderwijs Jacques Wallage gelooft heilig in de basisvorming als gereedschapskistje voor het leven.

Eigenlijk laat hij zich niet graag publiekelijk uit over onderwijsvernieuwingen die hij mede in gang heeft gezet. Jacques Wallage is nu burgemeester van Groningen en profileert zich liefst alleen als zodanig. Hij moet er niet aan denken dat de huidige minister of de staatssecretaris van Onderwijs in de problemen zou komen door wat hij in de krant heeft geroepen.

Maar eerlijk is eerlijk, als er keer op keer in de media wordt getamboereerd op `de mislukking van de basisvorming', dan jeuken zijn handen om even wat dingen recht te zetten, zegt Wallage tijdens een gesprek in Kasteel Wijenburg in Echteld, bij Tiel, waar hij net een lezing heeft gegeven.

``Want'', zegt hij, ``om zeven na dato de mislukking uit te roepen, is wel erg snel. Het duurt tien tot vijftien jaar voordat een onderwijsvernieuwing werkelijk tot wasdom is gekomen.'' Staatssecretaris Adelmund kondigde deze maand aan dat scholen meer ruimte krijgen voor eigen invulling van het onderwijsprogramma.

Het gevaar dreigt, vreest Wallage, dat de politieke partijen het oude debat weer helemaal over gaan doen. Doodzonde. Want over de basisvorming is uitentreuren gedebatteerd voordat die in 1993 werd ingevoerd. Het doel was om met een gezamelijk lesprogramma van vijftien vakken leerlingen in de eerste twee à drie klassen van de middelbare school een basispakket aan kennis mee te geven en daarmee het peil van het jeugdonderwijs te verbeteren. Daarnaast moest de verplichte schoolkeuze worden uitgesteld tot het vijftiende jaar en moest er meer aandacht worden besteed aan vaardigheden en actief leren.

De basisvorming was een compromis. Voorvechters als Jos van Kemenade en daarna Wim Deetman en Jacques Wallage hadden liever een zogenoemde middenschool gezien waarbij alle leerlingen tot hun vijftiende jaar, net als op de basisschool, ongeselecteerd door elkaar zaten. Zo'n `kop op de basisschool' vindt Wallage nog steeds het allerbeste systeem, maar daarvoor was met geen mogelijkheid een meerderheid te krijgen. ``De gelaagdheid van ons voortgezet onderwijs is een afspiegeling van onze sterk hiërarchische samenleving'', zegt Wallage. ``Ouders willen hun kinderen het allerliefst zo hoog mogelijk in de onderwijsboom. En graag zo vroeg mogelijk. Als er klasjes voor slimme kleuters waren, zouden die vol zitten. Ze zetten hun kind op de hoogste takken en nemen het risico dat ze eruit donderen voor lief.''

Achteraf, zegt Wallage, heeft hij de weerbarstigheid van die hiërarchische structuur onderschat. ``De eindexamens, waar je volgens mij in de eerste jaren nog niet aan hoort te denken, werpen een enorme schaduw over het hele voortgezet onderwijs. Dat heeft de invoering van de basisvorming niet kunnen verminderen. Op verjaardagsfeestjes vertellen ouders nog steeds trots dat hun kind naar het gymnasium gaat, ouders met een kind op het vbo houden liever hun mond. Ik droomde van feestjes waarop ouders zouden zeggen: `Mijn kind doet de basisvorming en daarna kijken we verder'.''

Toenmalig staatssecretaris Wallage besloot tot een compromis: de doelen van de middenschool realiseren binnen het gelaagde stelsel van het voortgezet onderwijs. Daarbij bleven verschillende schoolsoorten als mavo en vwo bestaan, maar kinderen zouden zoveel mogelijk in een brede brugklas terechtkomen. Wallage: ``Het was even slikken, maar als je echt gelooft in je idealen, dan is het op zo'n moment wenselijk om ze binnen de grenzen van het compromis proberen te realiseren. Want wat was het alternatief? Niets. Alles was bij het oude gebleven. Ik ben er trots op dat elk meisje in Nederland techniek krijgt en elke jongen verzorging. Als ik het opnieuw zou mogen doen, zou ik het weer zo doen. Graag citeer ik Edith Piaff: `Je ne regrette rien'.''

Hij neemt het Kees Schuyt, een van de bedenkers van de basisvorming en destijds lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, nog steeds kwalijk dat hij het uiteindelijke resultaat `een compromis van een compromis van een compromis' heeft genoemd. ``Dat is het gelijk van de studeerkamer. In een democratie moet je nu eenmaal water bij de wijn doen. Wat had hij in mijn plaats gedaan? Van tijd tot tijd moet je het onderwijsbeleid aanpassen aan de eisen van de samenleving.''

Een van de belangrijkste argumenten tegen de basisvorming was dat het een eenheidsworst zou zijn. Vooral de VVD liep tegen de basisvorming te hoop, omdat het de kwaliteit van het onderwijs zou bedreigen en de verschillen in begaafdheid zou miskennen. Met het Inspectierapport van vorig jaar in de hand halen deze tegenstanders nu hun gelijk: voor goede leerlingen zou de basisvorming onvoldoende uitdaging bieden terwijl het voor de zwakke leerlingen te moeilijk zou zijn. Elk kind is verschillend. Het zou niet om het meest gelijke maar om het meest geschikte onderwijs moeten gaan. Wallage: ``Natuurlijk is geen enkel kind gelijk. Je hebt hoogbegaafde en heel zwakke leerlingen. Het is een misvatting te stellen dat de basisvorming die verschillen ontkent. Scholen moeten sterke leerlingen extra's bieden. Zwakke leerlingen mogen er langer over doen. En voor het kleine groepje leerlingen dat zelfs de basisvorming niet aankan, is het mogelijk ontheffing aan te vragen. Dat staat in de wet.''

Hij vindt dat tegenstanders nu doen alsof de basisvorming toch een soort middenschool is. ``Ze hebben er een karikatuur van gemaakt. En roepen vervolgens dat de karikatuur niet werkt. De basisvorming was bedoeld als gereedschapskistje voor het leven, de minimumbagage die een kind nodig heeft om zich staande te houden in de maatschappij. Zélfs als het zijn leven doorbrengt in een sociale werkplaats.''

Uit het verslag van de Onderwijsinspectie blijkt dat de basisvorming nog onvoldoende van de grond is gekomen. Het algemene peil van het jeugdonderwijs is goed, zelfs iets verbeterd, maar de kwaliteit van de scholen loopt sterk uiteen: 20 procent doet het goed, 60 procent functioneert middelmatig en op 20 procent wordt slecht onderwijs gegeven. Veel leraren houden nog te veel vast aan de klassieke klassikale manier van lesgeven. Wel kiezen leerlingen door de basisvorming later voor een definitief schooltype en is het aantal zittenblijvers sterk verminderd. Wallage: ``Dit is de stand na zeven jaar. Het is nog niet goed, we kunnen niet achteroverleunen, maar we moeten zorgen dat het verder verbetert door te leren van de scholen waar het goed gaat.''

Wallage wijst erop dat vooral grote scholen meer van de basisvorming terecht brengen dan kleine scholen. Tegelijk met de invoering van de basisvorming was hij een voorvechter voor de vorming van grote scholengemeenschappen. Als alle schoolsoorten onder één dak waren vertegenwoordigd, zouden leerlingen makkelijker kunnen overstappen. Daarnaast zouden noodlijdende lbo-scholen het alleen binnen een groter geheel kunnen redden. Wallage: ``Bovendien hebben scholen een bepaalde kritische massa nodig om als een professionele organisaties te kunnen functioneren. Achthonderd leerlingen is volgens mij het minimum. Alleen dan kunnen ze een dergelijke onderwijsvernieuwing goed invoeren.''

De kritiek dat leerlingen zich in deze conglomeraten met duizenden leerlingen zich niet meer thuisvoelen en persoonlijke aandacht missen, werpt hij verre van zich. ``Grote scholen kun je kleinschalig organiseren. Op de meeste scholen zitten de leerlingen niet met z'n allen in één gebouw.'' Tot zijn spijt moet hij constateren dat de scholen niet zo georganiseerd zijn als hij voor ogen had. Binnen een scholengemeenschap wordt kleinschaligheid bereikt door verschillende schooltypen in aparte gebouwen onder te brengen. Wallage: ``Ik had gehoopt dat een scholengemeenschap alle kinderen tot 15 jaar in één gebouw zouden zetten. Daarbinnen had de basisvorming veel beter tot zijn recht kunnen komen. In plaats daarvan zie je dat brede scholen uit concurrentie-overwegingen hun havo/vwo-afdeling zo veel mogelijk op de voorgrond plaatsen en het vmbo liefst wegmoffelen in een apart gebouw. Ze moeten wel om hun marktpositie veilig te stellen, anders kiezen ouders wel een andere school. Scholen staan onder enorme druk. Dat marktmechanisme corrigeer je niet makkelijk met beleid. Dat heb ik onderschat.''

Vorige maand sprak de Onderwijsraad, het belangrijkste adviesorgaan op het gebied van onderwijs, zijn pessimisme uit over de basisvorming. De belangrijkste doelstellingen zijn onvoldoende gerealiseerd, aldus de Raad. Bovendien is het vakkenpakket voor veel leerlingen overladen. Snel ingrijpen is geboden. Een van de oplossingen die de Raad zag is een basisvorming op twee niveaus.

drie niveaus

De VVD haakte daar direct op in door te pleiten voor een basisvorming op drie niveaus: één voor de beroepsgerichte leerweg, één voor de rest van het vmbo, één voor havo/vwo. Die drie soorten zouden mogen verschillen in duur, aard van het onderwijsaanbod en in niveau. Volgens Wallage zouden de verschillende niveaus al voorselecteren op de vervolgopleiding en dus het einde van de basisvorming betekenen. Hij verzucht: ``In het hiërarchische voortgezet onderwijs is de basisvorming een soort voorloper van het eindexamen geworden, een horde die je moet nemen voordat je verder kunt. Het gaat daarmee totaal voorbij aan het doel.''

Wallage kan zich wel vinden in de voorlopige oplossing van Adelmund. Zij stelde een gevarieerder programma voor dat beter zou ``aansluiten bij de verschillen van kinderen''. Het verplichte vakkenpakket blijft bestaan, maar scholen krijgen meer ruimte voor eigen invulling van het onderwijsprogramma. Volgens Adelmund blijft zo de essentie van de basisvorming intact.

Minder lovend is hij over de rol van de onderwijsspecialisten in de Tweede Kamer die, met uitzondering van de PvdA, in milde dan wel harde bewoordingen stelden dat de basisvorming in haar oorspronkelijke opzet is mislukt. Zij vergroten de negatieve kanten van de basisvorming enorm uit, zegt Wallage. ``Ze stellen zich op als doorgeefluik van de problemen van scholen. Maar daar help je de scholen niet mee. Het is niet je verantwoordelijkheid als politicus om mee te huilen, maar om het land dat achter gindse heuvelen ligt dichterbij te brengen. Laten we alsjeblieft niet weer het debat opnieuw gaan voeren, want op wéér een koerswijziging zit echt niemand te wachten.''

    • Sheila Kamerman