Het is met het Nederlands nog nooit zo goed gegaan

Wat doe je als je zinloos rijk bent? Naar een car dropping met de éénliterauto? Naar een doggy dance met de labrahuahua? Nieuwe activiteiten vragen om nieuwe woorden. De opvallendste taal- vondsten van 2000.

De doemdenkers krijgen ongelijk: het Nederlands gaat niet verloren. Het is met onze taal nog nooit zo goed gegaan als nu. Ja, we maken veel fouten in het uitentreuren rigoureus-feeërieke, rijkgeschakeerde Nationaal Dictee. Maar voor het eerst zijn er goede spellingcheckers op de markt gekomen. En ja, we zijn minder brieven gaan schrijven. Maar we hebben nog nooit zoveel geë-maild. Inmiddels zitten zo'n acht miljoen Nederlanders op internet; wereldwijd werden in 2000 ruim 511 miljard mailtjes verstuurd.

Het is zelfs aannemelijk dat er het afgelopen jaar in Nederland meer dan ooit is geouwehoerd. Zeker door de telefoon. Bijna negen miljoen Nederlanders hebben inmiddels een mobieltje, dat ze niet ongebruikt laten. ,,Hallo, met mij.'' ,,Waar ben je?'' In korte tijd is de telefoonetiquette volledig op de schop gegaan. Gold het decennialang als onbeschaafd om op te nemen met alleen je voornaam of met `hallo', nu doet iedereen het.

Er worden niet alleen steeds meer e-mailberichten verstuurd, via onze mobiele telefoon zijn we ook gaan sms-en. En niet zo'n beetje ook. Telefoonaanbieder Ben maakte in mei bekend maandelijks zo'n vijf miljoen sms-berichten te verzenden; telecomgigant KPN meldde in oktober dat het aantal sms-berichten in een halfjaar tijd met 550 procent was gestegen, tot ruim 114 miljoen. Omdat een bericht maximaal 160 tekens lang is – sms staat voor short message service – ontstaat er een nieuw soort Nederlands. Het ultrakorte Nederlands. Het sms-lands. Het Nederlands van nieuwe afkortingen, samentrekkingen en klinkerweglatingen.

Wat in de loop van een jaar het meest opvalt, zijn de nieuwe woorden. Lang was er geen instrument voorhanden om na te gaan of een woord nieuw is of niet. Nu kun je hun leeftijd nazoeken in digitale historische woordenboeken, in grote bibliografische bestanden, in digitale krantenleggers en op internet. En wat blijkt? Ongeveer zeventig procent van de woorden die door neologismenjagers als nieuw worden aangemerkt, blijkt al een tijdje, en soms een flinke tijd, mee te gaan. Gewoon niet eerder opgemerkt. Onze taal krijgt er jaarlijks zeker geen 15.000 woorden bij, zoals sommige taalkundigen meenden. Tussen de drie- en vijfhonderd nieuwe woorden per kalenderjaar zit meer in de richting. En daar zitten dan nog heel wat woorden tussen die na een tijdje weer verdwijnen.

Van oudsher ontstaan de meeste nieuwe woorden trouwens door bestaande woorden aan elkaar te plakken. Web en supermarkt hadden we al, maar websupermarkt en websuper debuteerden in 2000. Vorig jaar kregen de woordfamilies Millennium en Eclips een enorme stoot nazaten, dit jaar zagen we de gestage uitbreiding van de families Cyber, Web en Internet. En natuurlijk van de familie E-, een van de krachtigste groeiers van de afgelopen jaren.

In combinatie met het koppelteken is de E nu zo vaak misbruikt als symbool van alles wat elektronisch is (lees: snel, digitaal, modern, de toekomst) dat er in de Verenigde Staten een `Genootschap tot Behoud van de Andere 25 Letters van het Alfabet' is opgericht. De strijdkreet luidt: `E-nough is E-nough'.

Wellicht iets voor minister Van Boxtel, die dit jaar aankondigde dat de e-government eraan komt, de e-bureaucratie. De loketten gaan dicht, de websites gaan open. Dus nog meer mailen en chatten, maar dan rechtstreeks met de overheid.

Behalve nieuwe woorden duiken er jaarlijks nieuwe betekenissen op. Aanwezigheid is al een oud woord, maar in 2000 werd het opeens geregeld gebruikt in de betekenis `marktaandeel, positie van een bedrijf'. Een concern kan een sterke of zwakke aanwezigheid hebben. En natuurlijk ontstaan er nieuwe afleidingen. We kenden pitbull als naam van een hond en in de overdrachtelijke betekenis `waakhond, doordouwer, doorzetter, fel en onverzettelijk persoon', maar dit jaar is voor het eerst het werkwoord pitbullen gesignaleerd, in de betekenissen `ergens de tanden inzetten' of `een en ander scherp bewaken'. Een opsteker voor de pitbull, die het samen met onder meer de Fila Brasileiro en de Mastino Napolitano steeds moeilijker krijgt.

Voor nieuwe uitdrukkingen was het een mager jaar. Een rondje om de kerk kreeg ineens nationale bekendheid door de stakingen bij de Spoorwegen (machinisten willen niet steeds op hetzelfde traject worden ingezet, géén rondjes om de kerk), maar in wielrennerskringen is die uitdrukking allang bekend en ook de NS-ers gebruiken hem al zeker zes jaar. De leugen regeert is niet meer weg te denken, met dank aan koningin Beatrix, die de uitdrukking in november 1999 de wereld inslingerde.

Misschien wel de belangrijkste taalontwikkeling van het afgelopen jaar is dat kranten en tijdschriften hun positie als voornaamste podium voor taalvernieuwing echt aan het verliezen zijn. Eeuwenlang kon u de nieuwste woorden, uitdrukkingen, betekenissen en zinswendingen voor het eerst lezen in kranten, tijdschriften en – in mindere mate – boeken. Het afgelopen decennium heeft de overheid tientallen miljoenen guldens besteed aan de aanleg van corpora (grote digitale tekstbestanden) om een kleine selectie van die bronnen te ontsluiten. Die corpora zijn niet waardeloos geworden (hoewel ze vanwege auteursrechtelijke problemen nooit voor iedereen toegankelijk zijn geweest), maar inmiddels is internet de voornaamste bron voor het onderzoek van de levende taal geworden. Nooit is er zoveel geschreven en nooit was er zoveel geschreven tekst toegankelijk. De stijl van internet en e-mail is informeel, dichter bij de spreektaal. Nog nooit was er zo'n voorraad informeel Nederlands beschikbaar en nooit in de geschiedenis van het Nederlands lagen spreek- en schrijftaal, ooit werelden van verschil, zo dicht bij elkaar.

Er is nog iets belangrijks gebeurd, dit taaljaar. Bij woordenboekenuitgevers dringt langzaam het besef door dat ze hun opnamecriteria zullen moeten bijstellen. Zo heeft de Grote Van Dale bijna een kwart eeuw als hoofdcriterium gehad dat woorden pas voor opname in aanmerking komen als ze minstens drie jaar in het hele Nederlandse taalgebied voorkomen. Toen er om de acht jaar een papieren editie van dit woordenboek uitkwam, was dat een zinnig criterium. Maar dat is niet meer zo, nu er jaarlijks op cd-rom een update uitkomt van de elektronische Grote Van Dale. Doorzetten van het oude beleid zou betekenen dat het járen kan duren voordat je in het omvangrijkste handwoordenboek van het Nederlands de betekenis kunt nazoeken van nieuwe woorden die je dagelijks in de krant leest.

Wie zo te werk blijft gaan, jaagt zijn klanten rechtstreeks het internet op, waar steeds meer digitale woordenboeken gratis te raadplegen zijn. Het is dus niet zo moeilijk om te voorspellen wat er volgend jaar gaat gebeuren. Woordenboekenuitgevers zullen hun koers verleggen. De opnamecriteria zullen worden bijgesteld. Zonder twijfel komen er serieuze, degelijke websites waar je de betekenis kunt nazoeken van de nieuwste woorden, al dan niet met hyperlinks. Woordenboeken zullen minder elitair worden, sneller, dichter bij de taal van het moment. En aangezien woordenboeken door velen worden beschouwd als onafhankelijke scheidsrechters in taaldisputen, als toetsstenen voor wat taalkundig goed en fout is, is dat een ingrijpende ontwikkeling. Waardoor het Nederlands er straks nog beter voor komt te staan.