Het Chinese pronkkabinet van een jurist

Jean Theodore Royer (1737-1807), als jurist werkzaam bij het Hof van Holland, vulde zijn vrije tijd met allerlei geleerde hobbys. Als jongen werden hem al Latijn, Grieks en Hebreeuws bijgebracht; daarna wilde hij graag Chinees leren. Maar hoe? Studieboeken of onderwijzers waren er nog niet, en naar het land zelf afreizen was alleen weggelegd voor kooplieden en missionarissen. Royer besloot om dan maar te proberen zelf een Chinees woordenboek samen te stellen en zo het schrift onder de knie te krijgen.

Hij schreef eindeloos karakters over uit wat er in het westen aan publicaties over het land verschenen was, en kreeg van een bevriend VOC-koopman taalboekjes voor schoolkinderen uit China. Via hem kwam Royer ook in contact met de tolk en handelaar Carolus Wang, die hem vanuit Kanton boeken en voorwerpen begon toe te sturen. In een bovenkamer van Royers huis aan de Haagse Herengracht hoopten zich gaandeweg honderden Chinese objecten op: prenten, prachtige poppen van klei, plaques van uitgedeukt koper en tafels vol porselein.

Royer wilde vooral alles weten van de mandarijn, in stand zijn Chinese evenknie, die net als hij werkte als ambtenaar maar studeerde als literaat. Behalve naar kunstobjecten zocht hij voor zijn kabinet daarom naar gewone gebruiksvoorwerpen, zoals kledingstukken en schrijfwaren. Door deze brede interesse slopen er dingen zijn collectie binnen die het kabinet nog steeds tot een boeiend antropologisch schouwspel maken. Een rondgang langs de objecten, waarvan de mooiste bij elkaar staan in een kleine expositie in de Zuidvleugel van het Rijksmuseum, leert bijvoorbeeld dat een achttiende-eeuwse Chinese geletterde voor het warmen van zijn winterhanden beschikte over een mini-kacheltje van brons, waarin kleine houtskooltjes gloeiden. Om z'n vingers soepel te houden gebruikte een mandarijn dezelfde `stress-balletjes' als vandaag de dag tegen RSI worden verkocht. Zijn bureau vrolijkte hij verder op met sierlijke beeldjes van speksteen, zo mooi en kwetsbaar dat ze nu alleen achter glas op hun plaats lijken. Royer bezat er eentje van de taöistische geleerde Lu Dongbin (17e eeuw), een met minuscule krasjes ingekerfd prachtstukje.

Tot zijn dood in 1807 bleef Royer bezeten van China, maar hij reisde er niet een keer naartoe. Dankzij zijn contacten met VOC-handelaren kreeg hij in 1775 wel een echte Chinees te logeren: de bediende Tan Assoy, die twee weken bleef en Royer verder hielp met het vertalen van teksten en het benoemen van voorwerpen. Royer was zo verguld over dit bezoek dat hij `zijn' Chinees uitdoste met een jas, een hoed en een ceintuur uit zijn collectie en met hem ging pronken bij stadhouder Willem V. Na het vertrek van zijn gast moest Royer zich weer tevreden stellen met een manshoge, aangeklede pop, die hij middenin zijn Chinese kabinet opstelde.

Tentoonstelling: `Royers Chinese Kabinet', t/m 11 maart in het Rijksmuseum, Zuidvleugel, Hobbemastraat 19, Amsterdam. Inlichtingen: (020) 674 70 00. Dag. open 10-17 u. Toegang ƒ15,- Catalogus ƒ39,50.