Een advertentie van Amnesty International

Hongarije worstelt met zijn imago. Of liever gezegd, de centrum-rechtse regering van Viktor Orbán worstelt met het imago van Hongarije. Orbán is een bevlogen yup die Hongarije wil bevrijden van alles wat naar communisme riekt. Dat de internationale pers soms vraagtekens plaatst bij de manier waarop dat gebeurt, zint de jonge premier niet. Dat de Europese Commissie lovende rapporten uitbrengt over de vorderingen van Hongarije richting Europa, maar aanhoudend kritisch blijft over de achterstand van de Hongaarse Roma-bevolking, zint de felle Orbán evenmin.

Uit angst de aansluiting bij de Europa te verliezen – hetgeen dus geheel niet aan de orde is – besloot de regering daarom dit jaar tot een offensief om het imago te verbeteren. De buitenlandse pers kreeg telefoontjes van pr-burootjes die vroegen wat te doen. `Gewoon normaal doen', antwoordden de buitenlandse correspondenten in Boedapest desgevraagd.

Hoe gevoelig de onzekere Hongaren zijn voor kritiek van buiten bleek tijdens de bespreking, in het parlement, van het voortgangsrapport van de Europese Commissie over Hongarije. Hongarije stond boven aan de lijst van kandidaat-lidstaten, maar de regering was woest. De socialistische oppositie had het namelijk gewaagd om ook op enkele kritiekpunten te wijzen: de positie van de Roma en de manier waarop de regering zich met de media probeert te bemoeien.

,,De oppositie probeert het imago van Hongarije te ondermijnen en de toetreding tot de EU te frustreren'', riep de ideoloog van Orbán's partij, Kövér, in het parlement. De premier zelf kwam met een lijst `bewijsmateriaal' op de proppen: twaalf artikelen waarin selectief de oppositie zou zijn geciteerd zonder de regering te noemen. NRC Handelsblad werd twee keer geciteerd. In beide gevallen ten onrechte omdat in de artikelen telkens beide kanten van de zaak belicht waren.

En zo werd de buitenlandse pers ongewild inzet van de strijd tussen `rechts' en `links' in de jonge Hongaarse democratie. Een ongemakkelijke positie, maar volgens minister Mártonyi van Buitenlandse Zaken niet verwonderlijk ,,omdat de buitenlandse pers nu eenmaal vaak leugens schrijft over Hongarije''. Op mijn vraag of dat ook voor NRC Handelsblad gold reageerde de minister terughoudend: ,,Ik lees uw krant niet, dus dat kan ik niet zeggen.''

Einde discussie, leek het. Maar korte tijd daarop kreeg de correspondent van NRC Handelsblad in Boedapest een telefoontje van de kanselarij van de premier. Of ik wist dat `mijn' krant een paginagrote advertentie had geplaatst van Amnesty International waarin Hongarije op grove wijze werd beticht van mishandeling van Roma-kinderen? Nee dat wist ik niet, maar, antwoordde ik, daar had ik ook niets mee te maken. De dame van de kanselarij ging onverstoord door dat de advertentie Hongarije in een slecht daglicht plaatste en dat ik nou eenmaal de correspondent was. Op mijn vraag of de Hongaarse regering van plan was om de correspondent voortaan niet alleen voor commerciële advertenties maar ook voor overlijdensberichten verantwoordelijk te stellen klonk een ontkennend antwoord. ,,We weten dat het om een commerciële advertentie gaat, maar omdat het uw krant is zult u over het onderwerp willen schrijven en wij willen u graag van de juiste informatie voorzien over de positie van de Roma in Hongarije.''

Kafka doemde op. De woorden van de schrijver Imre Kertész schoten me te binnen: de geschiedenis van de landen van Midden-Europa wordt bepaald door de verhouding van de overheid tot zijn burgers. Die overheid was mij nu vriendelijk doch dringend aan het vertellen wat ik moest doen. ,,Als u het niet eens bent met de advertentie moet u zich tot Amnesty wenden en niet tot de correspondent van het blad waar de advertentie in staat'', kon ik alleen maar zeggen. De dame van de kanselarij zei alleen maar een `goede communicatie' na te streven.

Dagenlang hebben daarna de Hongaarse media – stevig gevoed door de overheid – bol gestaan van de advertentie in NRC Handelsblad. Het Hongaarse publiek was in rep en roer. De toekomst van het land stond op het spel. ,,Hongarije was slechts een voorbeeld voor schending van de rechten van het kind, we hadden net zo goed Bangladesh kunnen nemen'', zei een woordvoerder van Amnesty uit Nederland voor de Hongaarse radio. ,,Maar dat is niet hetzelfde'', riep de radioverslaggever, ,,Wij zijn hier geen Azië. Wij zijn op weg naar het lidmaatschap van de EU.''

Inmiddels heeft Amnesty in Hongarije excuses aangeboden voor de advertentie. De aantijgingen zouden onterecht zijn. Het trauma is er echter niet minder om. ,,Misschien zien jullie in Nederland twee keer per jaar iets over Hongarije. Als één keer daarvan zo'n negatief beeld schept, zullen jullie ons niet in Europa willen'', legt een Hongaarse vriend uit. Dat de regering de correspondent aanspreekt op een advertentie vindt hij niet verrassend. ,,De regeringsgetrouwe kranten hier leven van de advertenties die ze van de ministeries krijgen. Iedereen weet dat de afstand tussen de advertentie-afdeling en de redactie hier heel klein is.'' Het imago van Hongarije wordt er al met al weinig helderder door.