De benarde burcht van paarse consensus

Zoals de gezagscrisis een einde maakte aan het eerste naoorlogse bestel, kan de huidige `overtuigingscrisis' de ondergang inluiden van het paarse onderhandelingsbestel. H.J.A. Hofland constateert dat `de' politiek en het kabinet deze dreiging niet ernstig nemen.

`De' Nederlander, ons aller gemiddelde landgenoot zoals die uit het onderzoek tevoorschijn komt, is nog nooit zo rijk geweest. Voor het eerst in de geschiedenis, las ik in het kerstnummer van deze krant, heeft hij ter gelegenheid van de feestdagen kunnen kiezen uit 238 soorten whisky. Hij/zij is ook de gelukkigste mens ter wereld, werd op dezelfde dag in de Volkskrant gemeld. Op de schaal van 1 tot 4 overtreft hij met 0.08 de Belgen en met 0.11 blijft hij de Amerikanen en de Britten de baas. Er is meer werk, het wordt beter betaald, er is meer brood en er zijn meer spelen dan het volk aankan. En niets wordt deze gezegenden in de weg gelegd om van dit alles naar hartelust te genieten. Als ze al een hindernis ontmoeten, dan is die voortgekomen uit hun eigen rijkdom.

Dit volk moet wel door buitengewoon wijze mensen worden bestuurd, zal men zeggen. De burgerij zal de bestuurders van de natie dankbaar zijn, en bidden dat ze nog lang hun prachtig werk mogen voortzetten, in het bijzonder de bescheiden leider. Doet hij in de verte niet denken aan een goede vorst volgens de voorschriften van Machiavelli, met de resultaten die Colbert voor de Fransen wilde bereiken? Tweedracht vervangen door vruchtbare consensus, en iedere Nederlander een kip in de soep. Om het eens in een vergelijkend perspectief te zetten.

Maar dankbaarheid? Geen sprake van. Vorst Wim, onder wiens bewind we tot deze hoogten zijn gestegen, wordt de laatste tijd begroet met een aanwassend gemor, een rabarber van verzet dat is georganiseerd door adjudanten uit zijn eigen gelederen. De muren van zijn burcht vertonen scheuren, onkruid woekert tussen de stenen en af en toe valt er een brok uit de donjon. Weet Vorst Wim dat? Misschien, maar als vanouds doet hij alsof zijn neus bloedt.

Beschouwen we Paars II als het dominerend kasteel in het Nederlandse landschap, dan is dit ongeveer de toestand waarin dit bouwwerk zich op het ogenblik bevindt. Het wordt niet regelrecht belegerd of bestormd. Het gevaar schuilt van binnen. De heipalen zijn aangetast, het cement tussen de stenen voegt niet meer, en het welvarende volk toont zich ondankbaar door zijn belangstelling voor de bestuurders op te zeggen. Paars II krijgt de symptomen van een tanend bestel, zoals dat van Ruud Lubbers in het begin van de jaren negentig, en het Rooms-Rode veertig jaar geleden. Een politiek bestel heeft in Nederland zijn eigen levenscyclus. De omstandigheden wisselen; onafhankelijk daarvan voltrekt zich de veroudering .

De eerste oorzaak is niet typisch Nederlands. In bijna alle Westerse landen wordt gedepolitiseerd en `geïndividualiseerd'. De onverschilligheid voor `de' politiek neemt toe, al jaren. Dat de gevestigde politieke partijen, de vakbonden hun leden verliezen; dat niet meer dan een handjevol voor de vergaderingen komt opdagen en dat de stembus niet meer de heilige urn van de democratie is: allemaal oud nieuws, op de grens van oudbakken. Het komt doordat de burgers de politiek niet meer nodig hebben – of denken te hebben – bij het oplossen van hun problemen. En velen die wèl behoefte hebben aan een partij die machtig genoeg en geloofwaardig is om hun belangen te verdedigen, kunnen er geen vinden.

Zo ondergaat het systeem een dubbele aderlating. Zo wordt de indruk gevestigd dat het aan bloedarmoede lijdt. En in deze tijd waarin alles begint met het imago, leidt het verval van het imago het werkelijk verval in. Het is de politieke versie van de zichzelf verwerkelijkende voorspelling.

Radicale maatregelen zouden het verval van de volkspartijen moeten stuiten. Al vijf jaar geleden stelden Dr.J.W. de Beus, Paul Kalma en Paul Scheffer voor, een nieuwe doorbraak te forceren, door de fusie van de Partij van de Arbeid, D66 en GroenLinks. (NRC Handelsblad, 30 september 1995) Dat zou, eindelijk, de vervulling van de doorbraak betekenen zoals die oorspronkelijk is bedoeld. Wie weet is het een goed idee. Maar zoals we aan de datum zien, is het niet als een bom ingeslagen. Iedere partij is, behalve de draagster van politieke denkbeelden en instrument tot uitoefening van macht, ook een instituut dat zichzelf wil voortzetten. Om aan die wil een eind te maken, is meer nodig dan de hervormingsdenkbeelden van gerespecteerde theoretici. Een flinke crisis zou misschien helpen.

Intussen maakt Paars, het bestel van de consensus, zich op voor de volgende ronde. Het draagt, inherent, drie nadelen met zich mee. Ten eerste berust het, precies als indertijd de oude zuilen, op een onderhandelingspolitiek die zich per definitie aan de openbaarheid onttrekt. Onderhandelaars kunnen nu eenmaal hun werk van geven en nemen niet goed doen met de hete adem van de achterban in hun nek en de achterdochtige blik van de `mondige burger' over hun schouder. Onderhandelen kost bovendien veel tijd. Die is in redelijke mate beschikbaar, zolang de maatschappij niet aan snelle veranderingen ten prooi is. Dan verkeert `de' politiek in een toestand van luxe.

Die wordt de onderhandelaars ontnomen zodra zich urgente vraagstukken van grote omvang voordoen. Dat is het tweede nadeel. Vervolgens ontstaat een tegenstelling: tussen de eisen op lange termijn van een consensuspolitiek en de directe praktische behoeften van een maatschappij, waarin vaak lijnrecht tegengestelde belangen dringend maar vergeefs wachten op de bevrijding door het bindend besluit.

Hieruit ontstaat een stelling waarin het derde nadeel vervat is. Een politiek bestel dat gegrondvest is op het bereiken van maximale consensus, veroorzaakt in tijden van snelle verandering stagnatie en daardoor onverhaalbare economische en/of immateriële verliezen. Dit veroorzaakt toenemende kritiek bij allen die van de besluitvorming afhankelijk zijn, (vooral bij de partijen die de verliezen dragen) en tenslotte meer dan kritiek: ergernis, afkeer van `de' politiek, die gekenschetst wordt als `achterkamertjesgedoe'. Het streven naar consensus dat iedereen zoveel mogelijk tevreden probeert te houden, leidt in tijden van snelle verandering tot de ontevredenheid van allen, en afkeer van `de' politiek die daarvoor verantwoordelijk wordt gehouden.

Geen wonder dus dat de burgerij gaat zoeken naar wegen om het moeras van de consensus heen. Daartoe zijn een paar mogelijkheden gegeven. Het eerste is het referendum, waarbij in het ja of nee in laatste aanleg met alle nuancen korte metten wordt gemaakt. Hoe ingewikkeld het vraagstuk ook mag zijn – stadsprovincie, IJburg, Noord-Zuidlijn, burgemeester – het wordt na een korte campagne aan het absolute oordeel van de burgerij onderworpen. Het referendum wint snel aan populariteit. Waarschijnlijk zullen de gevestigde partijen er niet onverdeeld treurig om zijn, want de scheiding tussen voor- en tegenstanders in een gegeven vraagstuk loopt vaak dwars door de oude aanhang heen. Ze zijn bevrijd; ze hoeven niet te kiezen. De oude politiek dient dan, na het referendum eerder als een hospitaal waarin de slachtoffers van de rigoureuze operatie-door-referendum worden verpleegd.

Dan zijn er de leefbaarheidspartijen, die zichzelf nog als duurzame instituten moeten bewijzen. Ik denk dat ze zich òf ontwikkelen tot nieuwe consensuspartijen waarmee ze hun belofte verraden en ondergaan, òf zullen gaan dienen als organisaties die naar het ene referendum na het andere streven, waarbij ze hun partijprogramma de eenvoud van een referendumachtige inhoud geven. Het hangt van hun leiderschap af. Hoe `collectiever' het leiderschap, hoe groter de kans dat ze een alternatieve consensuspartij worden. Hoe simpeler, populistischer het optreden van de leider, hoe sneller het publiek zal zien dat het ook op deze manier niet een alle-dagen-feest van de volkswil zal zijn.

Onheilspellender voor welke coalitiekleur dan ook lijken me de regelmatige uitbarstingen van ontevreden beroepsgroepen. Hoeveel hebben we er het afgelopen jaar gehad? De docenten in allerlei soorten onderwijs, het verplegend personeel in ziekenhuizen en inrichtingen, en deze maand nog de huisartsen. Het probleem van al deze beroepsgroepen is in een paar woorden samen te vatten: te veel werk, niet naar behoren beloond. Wat de werkdruk aangaat, hoort de politie er ook nog bij.

Als ik een regering was zou ik me daarover bezorgder maken dan over de referendisten en de leefbaarders. Hier hebben we namelijk te maken met hoger opgeleid personeel dat tot de ruggengraat van de Nederlandse beschaving hoort. In diepe ernst. Onderwijzend personeel werkt jaar in jaar uit aan de geletterdheid; de artsen en verplegers idem aan het welzijn. Als ze zekere periode worden verwaarloosd, duurt het langer dan deze zekere periode voor de schade is ingehaald. Een deel van wat straks de `mondige burgerij' moet zijn, loopt een permanente achterstand op. En bovendien: dit zijn de denkende kiezers waarvan een rationele consensuspolitiek het moet hebben. Verwaarlozing van deze groepen wordt niet goedgemaakt door er een gelegenheidsmiljard achteraan te gooien. Zoals Talleyrand, om nog maar eens een Fransman te noemen, zei: C'est pire qu'un faute, c'est une crime. Voor deze groepen worden de consensuspolitici tot kwakzalvers.

We bereiken de rafelranden van de burcht, waar het zichtbare afbrokkelen begint. Het einde van het eerste naoorlogse bestel is ingeluid door wat genoemd wordt: de gezagscrisis. Hier zien we iets gebeuren dat ik liever de `overtuigingscrisis' noem. Men zet om zijn ontevredenheid over de brandstofprijs kracht bij te zetten, zijn vrachtauto dwars op de snelweg. Men demonstreert dat men vakbonden en reizigers aan zijn laars lapt en legt ten behoeve van een zeer particulier belang het treinverkeer stil. Men laat weten, ontevreden te zijn over een bepaalde film, en chanteert de bioscoop met het vooruitzicht op grote schade. Of slaat een televisiester een blauw oog. Men toont dat men lak heeft aan de stadspolitie en men intimideert met z'n allen op de motorfiets een stad. Dit alles met succes. Als `de' politiek en een kabinet zulk soort verschijnselen gaan beschouwen als feiten van het openbare leven, zijn ze bezig zichzelf te delegitimeren. Ze beroven het publiek van de overtuiging dat ze terecht besturen. Ze zijn bezig zich in hun eigen graf te duwen.

Depolitisering in het algemeen, de referendisten en de leefbaarders, en de partijen van de directe actie, de jongens en meisjes van de opgestoken middelvinger, vormen een monsterverbond, waarvoor consensus de naam is van een oud en aftands schaap. Als de verdedigers van het systeem dat al merken, maken ze niet de indruk dat ze er een antwoord op weten.

H.J.A. Hofland is columnist van NRC Handelsblad.

Citaat Talleyrand

In het artikel De benarde burcht van paarse consensus (in de krant van zaterdag 30 december, pagina 9) is Talleyrand verkeerd geciteerd. Deze Fransman zei niet: `C'est pire qu'une faute, c'est un crime', maar `C'est pire qu'un crime, c'est une faute'.