Wilde

Met een gevoel voor humor dat zijn onderwerp zou waarderen, laat regisseur Brian Gilbert Wilde beginnen als een cowboyfilm. Want wat is verder verwijderd van het societyleven van Engelands beroemdste toneelschrijver en homoseksueel dan een zilvermijn in het Wilde Westen?

Niet dat Gilbert de verwarring lang laat duren: in het pikkedonker daalt Oscar Wilde af in de mijnput – een symbool, zo weet de kijker met enige basiskennis, voor de beproevingen die de schrijver van De Profundis moest ondergaan nadat hij in 1895 (op instigatie van de vader van zijn geliefde) wegens `sodomie' veroordeeld was.

`There's only one thing worse than being talked about, and that is not being talked about', meende Oscar Wilde, en hij zou het dan ook prachtig hebben gevonden dat zijn leven, inclusief al zijn fameuze oneliners, inmiddels een keer of vijf verfilmd is. De versie van Gilbert, die eerder een biopic over T.S. Eliot regisseerde, moet concurreren met de herinnering aan de perfecte televisieserie met Michael Gambon in de hoofdrol die een jaar of tien geleden is uitgezonden. Dat Wilde daar in slaagt is in de eerste plaats te danken aan de prachtige titelrol van schrijverkomiek Stephen Fry (Blackadder, A Bit of Fry and Laurie). Hij is geaffecteerd maar niet bespottelijk, geestig maar niet lollig. En met zijn droeve hondenogen verleent hij Wilde's tragiek een aandoenlijke waardigheid. Als Oscar Wilde in werkelijkheid niet zo was, dan had hij zo móeten zijn.

Lord Alfred Douglas, de zondagsdichter die onder zijn bijnaam Bosie de geschiedenis zou ingaan als de grote liefde van Wilde, krijgt wat minder reliëf. Jude Law speelt hem als een verwend snotjongetje met zo veel slechte eigenschappen dat je je niet kunt voorstellen dat Wilde op hem viel. Maar schoonheid vergoedt veel. En zoals Wilde aan het einde van Gilberts film zegt: `Er zijn in deze wereld maar twee tragedies: one is not getting what one wants, the other is getting it'.

Wilde (Brian Gilbert, VK, 1998), BBC2, 22.00-23.50u.