Van de allerhoogste

Een meisje kan pianospelen, ze weet hoe het moet, maar haar vingers zijn verstijfd. En als ze de toetsen raakt, komt er geen geluid uit de vleugel. Haar lerares slaat haar met een lineaal op de vingers, die wel aan de toetsen vastgeplakt lijken. Een jongen moet van de hoge. Het is de hoogste hoge ter wereld. Bovenop de duikplank, de tenen over het randje, is de jongen van de grond af gezien niets meer dan een stip. Hij valt. Hij valt en valt en zou misschien wel voorgoed zijn doorgevallen, ware het niet dat hij zacht landt op de buik van een olifant.

Els Pelgrom en Thé Tjong-Khing zijn bekend als het gouden duo van Kleine Sofie en Lange Wapper. Dat is het verhaal van een meisje dat sterven gaat en op de valreep wil weten wat er in het leven te koop is. Een ontdekkingsreis als een koortsdroom. Pelgrom won de Gouden Griffel, Khing het Gouden Penseel. Hun nieuwe boek Het loterijbriefje is ook zo dromerig, maar wel wat luchthartiger. Het is de droom van een olifant, of de droom van twee kinderen over een olifant, of de droom van iemand die helemaal niet in het boek voorkomt, dat zou ook nog kunnen. Een wonderlijk boek dus, dat bij eerste lezing iets irritants heeft omdat er zo weinig aanknopingspunten zijn. Wat moet de lezer nou eigenlijk voor waar aannemen?

Het is de moeite zeker waard Het loterijbriefje vaker dan eenmaal (voor) te lezen. Dan openbaart zich gaandeweg de logica die toch aan het verhaal ten grondslag ligt, de droomlogica. Het vriendelijke hondje van de twee hoofdpersonen, het meisje Stella en haar broertje Lowietje, verandert bijvoorbeeld ineens in een monster. Dat kan zomaar. En op een goed moment is dat monster ineens spoorloos verdwenen. Het is even wennen.

De platen van Thé Tjong-Khing zijn prachtig, vooral omdat ze op het eerste gezicht zo eenvoudig zijn, maar bij nadere beschouwing ook vol vreemde logica zitten. De beschrijving van het jongetje bovenaan de absurd hoge duikplank `leeft' echt door de tekening. Wie een enorme geldprijs wint, gaat vervolgens gebukt onder een gigantische zak met geld. Zo denkt en droomt een kind. Khing tekent zozeer vanuit kinderperspectief dat alle verhoudingen sowieso grotesk zijn. Een toonbank bijvoorbeeld, met een boze man erachter, heeft wel iets weg van een dam.

Pelgrom bouwt haar verhaal geraffineerd op. Het begint heel gewoon, als een goed geschreven kinderboek zonder overbodige uitweidingen. Rechttoe, rechtaan. `Er was eens een hond die Florijn heette. Hij werd ook wel Floor genoemd en soms zelfs Floortje. Er waren ook twee kinderen. [...] Ze zeiden Floortje tegen hun hond als hij op zijn rug ging liggen en met zijn poten spartelde en zijn tong telkens naar buiten liet komen.' De kinderen wonen op een vuilnisbelt, in een huisje dat hun vader maakte van `planken en stukken plastic en ijzer, en een oude deur.'

De hond komt op een avond thuis met een lot in zijn bek. Door een lange, grauwe straat met dwarrelende kranten lopen de kinderen naar het loterijkantoor. En ja hoor, even heerlijk als in Dahls Sjakie en de chocoladefabriek, de arme kindertjes hebben gewonnen. Zeventien miljoen maar liefst. Maar dan wordt het fijne wensvervullende verhaal voor het eerst onderbroken. Stella en Lowietje voelen dat er een onzichtbaar iemand aanwezig is in het kantoor. Een groot onzichtbaar iemand, die zucht en steunt. En die ineens een stem heeft en zegt: `Ga weg, jij, ik heb geen zin in jou. Altijd als ik een beetje leuk droom, komt een hond het verpesten.'

Els Pelgrom: Het loterijbriefje. Met illustraties van Thé Tjong-Khing. Ploegsma. Vanaf 8 jaar. 48 blz. ƒ28,90