Vaag gesjoemel

In zijn `Verantwoording' aan het slot van Kunstmaffia, vertelt journalist Henk Schutten hoe hij op het idee kwam om dit boek te schrijven. Vier jaar geleden ging hij met zijn vrouw in het Amsterdamse Spiegelkwartier, het centrum van de Nederlandse kunst- en antiekhandel, op zoek naar een litho voor hun woonkamer. `Het Spiegelkwartier kent ongetwijfeld veel keurige kunsthandelaren. Wij zijn er die dag weinig tegengekomen', meldt Schutten. Wat er die dag gebeurde, beschrijft hij niet. Hij laat het bij de vage suggestie dat het Spiegelkwartier bevolkt wordt door louche kunsthandelaren. Schutten vervolgt met de mededeling dat hij kort daarna in contact kwam met de schilderijenvervalser Geert Jan Jansen, die hem evenals de kunstzwendelaar Michel van Rijn behulpzaam was bij de totstandkoming van Kunstmaffia.

Een vage beschuldiging en twee bedriegers als informatiebron. Dat Schuttens `Verantwoording' te denken geeft, zou niet zo erg zijn als de rest van het boek niet van hetzelfde laken een pak was.

De ondertitel van het boek luidt: Moord, diefstal, oplichting en witwaspraktijken in de kunstwereld. De lezer is inderdaad van de eerste tot de laatste bladzijde getuige van misdaden met kunstwerken als inzet. Het is alleen jammer dat de meeste van die misdaden al vele malen beschreven zijn, van de Van Meegeren-affaire uit de jaren veertig tot de autobom die Rob Scholte bijna fataal werd. Aan al die bekende verhalen voegt Schutten niets nieuws toe. Wel komt hij voortdurend met schromelijke overdrijvingen. De aanslag op Rob Scholte bracht volgens Schutten aan het licht `hoe nauw de Amsterdamse kunstwereld sinds het midden van de jaren tachtig verstrengeld is geraakt met de onderwereld'. Kom kom, het ging hier om een miniem segmentje uit die `Amsterdamse kunstwereld'. En welke `deskundigen' hebben Schutten ervan overtuigd dat `bijna de helft van alle kunstwerken in musea vals' is? Geldt dat ook voor de Nederlandse musea? Dat zou een nationale ramp zijn.

Schutten heeft nauwelijks onderzoek gedaan, hier en daar een interview vond hij wel genoeg. Hij verlaat zich liever op oude publicaties – vooral krantenartikelen – waarvan hij dan ook een lange lijst achterin zijn boek heeft opgenomen. Die krantenknipsels heeft hij goed gelezen. Soms zelfs te goed, zoals blijkt uit zijn verhaal over het joodse echtpaar Gutmann uit Heemstede dat aan het begin van de oorlog een aantal kunstwerken aan een Duitse handelaar verkocht en later door de Duitsers om het leven werd gebracht. Schutten laat in dit verhaal zien hoe je kunt overschrijven zonder te plagiëren. Je verandert de verleden tijd in de tegenwoordige, je vervangt een paar woorden door synoniemen en als je citaten overneemt, dan verplaats je de aanhalingstekens enkele woorden. Voor de rest laat je alles hetzelfde. Dit deed hij met een aantal alinea's uit een artikel over de Gutmann-affaire in NRC Handelsblad van 14 november 1997.

In die alinea's werd een gerechtelijk vonnis uit 1952 aangehaald en dat was natuurlijk de reden dat Schutten juist die alinea's overnam. Zelf zo'n vonnis opsporen en raadplegen kost te veel moeite. Maar in zijn ijver om niet te plagiëren verplaatste hij de aanhalingstekens zodanig dat hij woorden uit het NRC-artikel aan het vonnis toevoegde. Schutten zal het weinig uitmaken.

Zolang hij NRC Handelsblad slordig overschrijft, blijft Schutten in elk geval dicht bij de waarheid. Als hij op andere bronnen afgaat, komt hij vaak met de grootste onzin. Om nog even bij het Gutmann-verhaal te blijven: hierin rijgt hij de ene fout aan de andere, eenvoudig door niets te verifiëren en alles wat gedrukt staat maar aan te nemen.

Schutten lijkt een beetje besmeurd door het pek waar hij mee omgaat.

Wat hebben we aan zijn beschrijvingen van allerlei geseponeerde, niet bewezen en bijna-zaken, of zijn vage verdachtmakingen van kunsthandelaren die hij niet bij naam durft te noemen? Wat moet je met de sterke verhalen die de charlatan Michel van Rijn eindeloos in het boek mag opdissen? Schutten typeert hem als een `allerminst onverdachte bron'. Hij noemt hem onbetrouwbaar maar laat hem toch naar hartelust vertellen over smokkel, vervalsingen en ander gesjoemel met kunstwerken. Wat je als lezer zou willen weten is: wat is ervan waar? Maar daarvoor moet je niet bij `De liegende Hollander' zijn, zoals Van Rijn in het buitenland wordt genoemd. En helaas ook niet bij Henk Schutten.

Henk Schutten: Kunstmaffia. Moord, diefstal, oplichting en witwaspraktijken in de kunstwereld. Meulenhoff, 224 blz. ƒ36,50