Loon- & inkomstenbelasting

Toelichting:

Door de invoering van het nieuwe belastingstelsel verandert er veel in de loon- en inkomstenbelasting. Vaste onderdelen als het arbeidskostenforfait zijn komen te vervallen en daarvoor in de plaats zijn de heffingskortingen gekomen. Ook nieuw is dat iedere belastingplichtige individueel recht heeft op de algemene heffingskorting. De overhevelingstoeslag komt daardoor te vervallen.

De indeling van de schijven voor de loon- en inkomstenbelasting wordt in 2001 gecorrigeerd voor de geldontwaarding met 1,8 procent.

Om eenvoudiger lastenverlichting te kunnen doorvoeren voor de lagere inkomensgroepen, heeft de regering besloten om de eerste inkomensschijf in tweeën te knippen. Over de eerste en tweede inkomensschijf worden belasting en premies volksverzekeringen (AOW, Anw en AWBZ) op gecombineerde wijze geheven. Het tarief in de eerste schijf is voor 2001 vastgesteld op 32,35 procent en bestaat uit 2,95 procentpunt belasting en 29,40 procentpunt premies. Het tarief in de tweede schijf wordt 37,60 procent en bestaat uit 8,20 procentpunt belasting en 29,40 procentpunt premies.

Voor personen van 65 jaar en ouder geldt in de eerste schijf in plaats van 32,35 procent een lager tarief van 14,45 procent, omdat zij voor de AOW niet meer premieplichtig zijn. Dit tarief bestaat uit 2,95 procentpunt belasting en 11,5 procentpunt premie AWBZ en Anw. In de tweede schijf betalen ze een tarief van 19,70 procent, bestaande uit 8,20 procentpunt belastingen en 11,5 procentpunt premies.

De teruggavegrens voor de loonbelasting op verzoek, op grond van teveel ingehouden loonbelasting en premie bij de volksverzekering over het belastingjaar 2000 bedraagt 26 gulden. Naast de voorheffingen moeten ook in aanmerking worden genomen de voorlopige teruggaven die uitsluitend met het oog op de heffingskorting zijn vastgesteld . Als dit voorheffingssaldo de verschuldigde belasting niet of met niet meer dan 26 gulden overtreft, dan volgt geen aanslag. Voor de aanslaggrens voor de inkomstenbelasting geldt het volgende: indien het verschil tussen de verschuldigde inkomstenbelasting en het saldo van de gezamenlijke voorheffingen en de voorlopige teruggaven die uitsluitend met het oog op de heffingskortingen zijn vastgesteld (voorheffingssaldo) meer bedraagt dan 432 gulden, volgt een aanslag.

In plaats van het arbeidskostenforfait is een systeem van heffingskortingen gekomen (zie apart kader). Iedere belastingplichtige heeft recht op een korting van 3.473 gulden, voor 65-plussers bedraagt die 1.552 gulden. Daarnaast is er voor werkenden ook nog de arbeidskorting, die 2.027 gulden bedraagt (65-plussers: 906 gulden).

Voor ouderen zijn er aparte aftrekposten. Personen ouder dan 65 jaar hebben bijvoorbeeld recht op de ouderenkorting van 520 gulden als hun verzamelinkomen niet meer bedraagt dan 61.052 gulden. Om de aanvullende ouderenkorting te krijgen (547 gulden) dient de 65-plusser tevens een AOW-uitkering voor een alleenstaande te hebben.

Voor ondernemers die een inkomen uit aanmerkelijk belang hebben, geldt vanaf 1 januari een vast belastingtarief van 25 procent. Mensen die inkomen hebben uit vermogen betalen over het vooraf vastgestelde (forfaire) rendement van 4 procent 30 procent belasting.