Inderdaad, een nachtvogel

Hartmut Haenchen voelt zich nauw verwant met Gustav Mahler wiens werk hij nu uitvoert. In een reeks boekjes schrijft hij brieven als de componist.

`Beste vriend', beginnen de brieven. Telkens als Hartmut Haenchen weer een symfonie van Gustav Mahler dirigeert, publiceert hij er een stel in een fraai boekje. Ze gaan over de symfonie die Haenchen zal dirigeren en over allerlei persoonlijke wederwaardigheden, maar ze zijn niet geschreven door Gustav Mahler. Het zijn `fictieve brieven', van de hand van Haenchen zelf, de Duitse dirigent die sinds 1985 vooral in Nederland werkt. Haenchen voert in Amsterdam tijdens drie seizoenen het complete symfonische oeuvre van Gustav Mahler uit. Sinds het Mahler Feest van Willem Mengelberg in 1920 is dat in Amsterdam slechts één keer eerder gedaan.

U schrijft als `Mahler' telkens brieven aan zijn `Beste vriend' U bent dus Mahler en u bent tegelijkertijd zijn beste vriend?

,,Als ik zo'n brief van Mahler schrijf, schrijf ik niet aan mezelf. Ik schrijf uit mijn hart aan een vriend, een dirigent-vriend, iemand die begrijpt wat een uitvoerend musicus aan problemen en zorgen heeft, iemand die het operabedrijf kent, de mentaliteit van een orkest kent.'

U beschrijft steeds meer uzelf. U bent dirigent, u kent als de voormalige chef-dirigent van de Nederlandse Opera het operabedrijf, u kent als chef-dirigent van het Nederlands Philharmonisch Orkest de mentaliteit van een orkest.

,,Ik durf niet te zeggen: daar begin ik zelf in die brieven en daar houd ik op. Ik heb besloten van die serie boekjes iets heel persoonlijks te maken, wat betreft schrijfstijl en opvattingen. Maar alles is wel Mahleriaans. Er staat niet veel in wat ik niet kan verantwoorden aan de hand van Mahlers eigen teksten, zijn eigen brieven en zijn biografie. Ik fantaseer niet, ik speculeer niet, zoals in veel boeken over Mahler gebeurt. Wat ik schrijf zou hij gezegd kunnen hebben, misschien gezegd moeten hebben en hij zal het waarschijnlijk ook wel hebben gezegd. Soms vertel ik iets meer, om meer duidelijk te maken voor de lezer, die niet alles over Mahler weet.'

De boekjes kunnen worden verzameld in een cassette. Aan de ene kant staat een afbeelding van het bronzen portret dat Rodin maakte van Mahler. Aan de andere kant staat een gebeeldhouwde kop van uzelf. Slechts de boekjes van Haenchen staan tussen Haenchen en Mahler.

,,Die boekjes staan niet tussen ons in, ze verbinden ons. Ik schrijf wel als Gustav Mahler, maar ik ben Mahler niet. Ik heb ook wel gecomponeerd, maar ik ben niet zo geniaal. Er is via de inhoud van die cassette een directe lijn tussen ons. Het mooie is dat naarmate er meer boekjes komen, Mahler en ik naar elkaar toegroeien. De boekjes hebben altijd een kaft met een patroon dat is gebaseerd op Mahlers bril: het gaat om schrijven èn lezen. Als je de cassette neerlegt, heeft die het formaat van een cd. Daardoor passen de boekjes straks in de platenkast tussen de cd-opnamen van mijn Mahlerconcerten. Dan liggen lezen en luisteren in elkaars verlengde.'

Emotioneel

Haenchens uitvoeringen van Mahler zijn zó persoonlijk en eigenzinnig dat ze nauwelijks lijken op de Mahleruitvoeringen van andere dirigenten uit heden of verleden. Tot nu toe dirigeerde hij in zijn cyclus het jeugdwerk Das klagende Lied en de eerste drie symfonieën. Meer dan bij zijn eerdere Mahler-concerten, bleek Haenchen zich te hebben losgemaakt van conventie en traditie. Hij laat een Mahler horen, die de luisteraar nauwelijks kent. Alles is puur expressionistisch, onbevangen en emotioneel direct. Deze Mahler klinkt zo rechtstreeks uit de bron, zo openhartig, confronterend en controversieel, dat het bijna schokkend is.

Haenchen legt uit dat zijn Mahler-interpretaties de `afvalprodukten' zijn van de muziekstudies die hij maakt. ,,Toevallig schrijf ik ze deze keer op in die boekjes. Ook bij Wagner heb ik dat gedaan, toen ik hier Der Ring des Nibelungen dirigeerde. Ik wil in de huid van de componist kruipen, ik bestudeer de manuscripten. Dat heb ik geleerd in de DDR. Daar had ik vaak niet de beschikking over gedrukte westerse uitgaven. Maar ik had daar wel allerlei partituren onder handbereik, zoals de Johannes Passion van Bach. Die mocht ik gewoon in handen hebben.

,,Dat geeft een heel ander gevoel, dat is mijn manier van werken. Dan kom ik meestal tot andere conclusies dan andere dirigenten, ook bij muziek die iedereen denkt te kennen. Als ik Brahms dirigeer, baseer ik mij op aantekeningen van Brahms die niet in de partituur staan, maar wel bewaard zijn in de archieven in Meiningen, waar hij zijn muziek uitprobeerde. De grote Brahmstraditie is afkomstig van Reger, die Brahms meteen heeft veranderd, omdat hij vond dat Brahms niet goed kon componeren en instrumenteren. Wat ik laat horen, gaat in tegen die traditie.

,,Daarin voel ik me heel verwant met Mahler, die zei: `Tradition ist Schlamperei'. Het woord Schlamperei is moeilijk te vertalen: het is iets doen zonder erover na te denken, niet weten waarom je iets doet. Maar ik vind wel dat er verschil is tussen traditie en Schlamperei. Traditie is op zich niet slecht, als het gaat om de eigen stijl van een dirigent of de klank van een orkest. Mahlers standpunt, en ook dat van mij is: als je niet weet waarom je iets doet, moet je het laten, anders is het gemakzucht.

,,Als ik Mahler bestudeer, kijk ik ook naar de aantekeningen van Mengelberg. Sommige maken duidelijk wat Mahler wilde, maar andere aantekeningen staan er puur om dirigeertechnische redenen. Het gevaarlijke van dirigeren is dat je moet organiseren èn interpreteren. Waar is de grens tussen zekerheid en risico nemen bij het realiseren van het muzikale idee? Het Scherzo van Mahlers Vijfde symfonie, sla je de maat dan in één beweging of in drie? Haitink doet dat in drieën, dan krijg je dat mooi samen, dat is safe. Als je maar één beweging doet, loop je alle risico's, maar dan klinkt er wel een heel ander verhaal. Er ontstaat een andere sfeer, binnen de maat is het flexibeler.

Lage c

,,Mahler schrijft ook moeilijk. Vandaag nog zei een orkestlid: `een lage c zit niet op de piccolo, wat moet ik doen?'. Het antwoord is wat Wagner ook zei: `ik heb het opgeschreven, je ziet wat ik wil, dus speel het maar.' Daarom is de Wagnertuba ontstaan. Bach schreef voor fluit noten die toen niet speelbaar waren. Beethoven schreef weer vreemde noten, omdat hij zich wel aanpaste aan de instrumenten. Mahler wist, dat wat hij wilde soms onzuiver was. De lelijkheid van zijn muziek wil ik ook niet wegnemen. Bij zo'n glijdende hobo-passage in de Derde symfonie zeg ik: speel het gewoon lelijk. En dan hoor je langzaam de bedoeling: inderdaad, een nachtvogel.

,,Ik voel Mahler na, ik kan hem heel goed navoelen. In een recensie over het eerste boekje stond al: `er zit heel veel autobiografie van Haenchen in'. Op de meeste punten lijk ik inderdaad op hem: dirigent, chef-dirigent bij de opera, ik heb gecomponeerd. Ik heb mijn muziek – onder andere een pianoconcert en een oratorium – ook zelf gedirigeerd. Ik heb dezelfde ervaringen.

,,Ik voel mij ook verwant met het zoeken van Mahler. Naar God, naar het goede in de mens, waarin hij heel vaak teleurgesteld werd. Hij was een mens in tweeën, arrogant èn vreselijk bang voor anderen. Dat kan ik me heel goed indenken. We hebben veel overeenkomsten, ook het gevecht om eens een keer ècht rust te hebben. Weg van telefoon, computer, schrijven, administratie, weg van alles, behalve van muziek. Ook ik doe tijdens vakantie per dag acht uur lang mijn eigenlijke werk. Ik heb dan niets nodig, behalve een partituur en veel rust.

,,Mahler heeft voor zichzelf een eigen God gecreeërd, tussen jodendom, katholicisme en pantheïsme in. Dat ligt dicht bij mijn inzichten. Het is moeilijk daarover te praten, maar het mooie van muziek is dat je het wel kunt horen, zoals in het Adagio van Mahlers Derde symfonie. Daar klinkt: God is liefde, ook al gaat dat later weer kapot. In Bach is het mij veel moeilijker in te leven, hij staat ver weg van ons. Mahler is veel dichterbij, tussen zijn sterfjaar 1911 en mijn geboortejaar 1943 liggen maar 32 jaar.

,,Ik vind Mahlers oeuvre echt een autobiografie. Inclusief de Negende symfonie, die vaak wordt beschouwd als `absolute' muziek. Daarvoor zijn veel aanwijzingen, in wat hij er in zijn manuscripten allemaal bij schrijft aan opmerkingen en kreten. Het is allemaal programmamuziek, al wilde hij dat later tegenover Strauss niet weten. Hij schrapte ook titels en verklaringen. Maar hij citeert veel uit de liederen die hij componeerde op de teksten die hij zelf uitzocht of aanpaste. Die teksten hoor je terug in de muziek. En ook puur instrumentale delen, zoals het Adagietto uit de Vijfde symfonie, zijn gebaseerd op onhoorbare teksten.

,,Dat probeer ik steeds te leggen in die boekjes. Mahlers leven was een moeilijk verhaal en dat hoor je terug: zijn relaties met vrouwen, pijn, blijdschap, twijfels, de dood van zijn kind, geluksmomenten, ellende. Hij was bang, zijn liefde was gekoppeld aan een obsessie om die niet te verliezen, en juist daardoor verloor hij.'

Mahler dirigeerde zelf in het Concertgebouw, waar u nu Mahler dirigeert.

,,Toen het podium werd vervangen, heb ik een stuk hout meegenomen. Ik verzamel geen relieken, maar dit is wel hout waarover werd gelopen door Mahler.'

Ned. Philh. Orkest en sopraan Alexandra Coku o.l.v. Hartmut Haenchen met de Vierde symfonie van Mahler: 6, 7, 8 jan. Concertgebouw Amsterdam. 9 jan. Muziekcentrum Vredenburg Utrecht.