Het Heilige Land herzien

Israël verkeert in oorlog met de Palestijnen, maar raakt ook intern steeds verdeelder. `Nieuwe Historici' draaien oude ideeën om. Tolerantie voor de zionisten heeft plaatsgemaakt voor evenveel begrip voor de Arabische zaak.

Israël voert oorlog op twee fronten. Sinds vele jaren in eigen kring: de traditionalisten en zij die Gods oude geboden volgen tegen hen die de waarden van de moderne tijd aanbidden. Sinds drie maanden opnieuw tegen de Palestijnen. De binnenlandse oorlog is niets nieuws. Iedere rabbijn en elke groep heeft zijn eigen uitleg en interpretatie. Op politiek gebied strijden al meer dan een eeuw supernationalisten en internationalisten, zionisten en anti-zionisten, haviken en duiven, liberalen en `Bolsjewisten', ultra-orthodoxen, traditionalisten en minder gelovigen over de vraag hoe men kan of moet (over)leven. En elke partij schreef daarover zijn eigen verhaal.

Zo portretteerden Israëls traditionele historici decennialang het zionisme als een vriendelijke, bijna naïeve beweging van Oost-Europese socialisten die het antisemitisme in hun geboorteland waren ontvlucht, hun lot in eigen handen hadden genomen en naar het praktisch onbewoonde land van hun voorvaderen waren teruggekeerd om daar een vrije, rechtvaardige samenleving op te bouwen. Zij kochten land van afwezige Arabische grootgrondbezitters, toverden met bloed, zweet en tranen het verwaarloosde land om tot een rozentuin, en probeerden een goede verstandhouding met de plaatselijke bevolking te krijgen. Dat laatste mislukte omdat de bevolking werd opgehitst door haar fanatieke leiders, die de Heilige Oorlog tegen de joden uitriepen. Ze verloren die oorlog in 1947/48, toen zowel Palestijns-Arabische gewapende groepen als de legers van Egypte, Jordanië, Irak, Syrië en Libanon de kleine joodse gemeenschap aanvielen. Tijdens die vijandelijkheden vluchtten 700.000 Palestijnse Arabieren, daartoe aangezet door de Arabische propaganda die de snelle vernietiging van de joden beloofde. Na afloop van de oorlog stelde Israel alles in het werk om vrede te sluiten. Maar de Arabische wereld bleef oproepen tot de vernietiging van Israël en eiste met dat doel voor ogen onder meer de onvoorwaardelijke terugkeer van alle vluchtelingen wier land en huizen inmiddels waren overgenomen door zowel de joodse `displaced persons' die in Europa aan de gaskamers waren ontkomen, als de joden die de Arabische landen moesten ontvluchten.

Staatsarchieven

Deze voorstelling van zaken is te mooi om waar te zijn. Het was waar dat zeer veel Palestijnen `vrijwillig' waren gevlucht. Maar het was ook waar dat duizenden met geweld door de Israëli's waren verdreven. Niettemin klampten velen in Israël en daarbuiten zich vast aan de oude mythes van de zionistische beweging. Mythes die de afgelopen decennia afbrokkelden. Het breekpunt was de dramatische overwinning in de juni-oorlog van 1967, die niet alleen heel Palestina onder Israëlisch bestuur bracht, maar ook de Israëlische samenleving radicaal veranderde. Enerzijds had men het gevoel dat God eindelijk de kant had gekozen van het joodse volk, dat nu onoverwinnelijk was – nog geen kwart eeuw nadat het voor een derde was uitgeroeid. De Bijbelse profetieën waren uiteindelijk dan toch vervuld. Als vanzelfsprekend werden nederzettingen die in de oorlog van 1948 door de Arabieren waren veroverd, onmiddellijk weer in bezit genomen door zowel socialistische als nationaal-religieuze kolonisten. De laatsten, gesteund door de rechtse politici, baseerden zich minder op de `Staat Israël' dan op het `Land Israëls' – of in hun woorden het `Complete Land Israëls'. Dat begrip, door hun politieke vijanden van links vertaald met `Groot-Israël', houdt in dat de joden de rechtmatige eigenaren zijn van het hele Land Israëls en de aldaar wonende Arabieren hoogstens huurders. Compromissen over het bezitsrecht van dat land zijn dan ook uitgesloten.

Anderzijds doorbrak de juni-oorlog van 1967 het gevoel van claustrofobie van de joden in hun tot dan door vijanden omsingelde en vrijwel onverdedigbare mini-staat. De Israëlische samenleving werd liberaler, de kritiek luider, de ontevredenheid groter. En een nieuwe generatie werd een beetje moe van het zionistische heldenverhaal.

Zeker vanaf de bloedige Oktober-oorlog van 1973 streefden de jongeren steeds meer naar een beter leven, en geloofden zij steeds minder in een heldendood. De desastreuze oorlog van 1982 tegen de PLO in Libanon versnelde dat proces. Tegelijkertijd groeide de anti-liberale orthodoxie, gevoed door zowel radicaal-zionistische als anti-zionistische ideeën.

In dit verwarrende klimaat vol tegenstrijdigheden werden in Israël medio jaren tachtig de staatsarchieven opengesteld. Jonge historici konden kennis nemen van de minder fraaie realiteit van Israëls geschiedenis. Uit die archieven blijkt, zoals hoogleraar internationale betrekkingen te Oxford Avi Shlaim het uitdrukt in zijn boek The Iron Wall, dat `het na-oorlogse Israël onverzoenlijker was dan de Arabische staten, en daarom een grotere verantwoordelijkheid droeg voor de politieke impasse die volgde op het formele staken van de vijandelijkheden. De archieven van het Israëlische Ministerie van Buitenlandse Zaken barstten vanaf september 1948 uit hun voegen met bewijsmateriaal over Arabische vredespogingen en Arabische bereidheid om met Israël te onderhandelen'.

Als historici met dit soort harde uitspraken komen, moeten zij die natuurlijk waarmaken. Dat blijkt een probleem voor Shlaim, maar ook voor een andere `nieuwe historicus', Benny Morris, hoogleraar geschiedenis aan de Ben Gurion universiteit te Beersheba, die een boek over het Israëlisch-Arabische conflict schreef met de titel Righteous Victims. Beiden hebben uit de Israëlische, maar niet uit Arabische staatsarchieven geput, en nauwelijks gebruik gemaakt van de vele Arabische biografieën die de laatste jaren zijn gepubliceerd. Volgens Shlaim was dat niet nodig, omdat hij zich concentreerde op Israëls politiek-diplomatieke geschiedenis. Morris, die minutieus alle gevechtshandelingen tussen Palestijnse joden en Arabieren, en tussen Israël en zijn Arabische buren beschrijft, stelt dat hij de Arabische ideeën uit de Israëlische documenten kan extrapoleren. Dat is een typisch Israëlische of, zo men wil Midden-Oosterse benadering – de eigen navel als centrum van het universum.

Ongetwijfeld streefden David Ben Gurion en zijn omgeving niet naar permanente akkoorden met de Arabieren, zoals ook Shlaim stelt, overtuigd als zij waren dat dit zinloos was omdat Israël uiterst zwak stond in de wereld en alleen zeer tijdelijke bondgenoten had. Aan de andere kant koesterden de Arabische leiders allerlei machtsdromen, zowel tegen de zionisten en Israël, als tegen elkaar. Daarom konden zij met zoveel gemak allianties sluiten en weer verbreken, en in tijden van nood vredesvoelhorens uitsteken die weinig tot niets voorstelden. Pas de afgelopen jaren zeggen wijzer geworden Arabische leiders dat vrede hun `strategisch doel' is.

Wie de Israëlisch-Arabische relaties denkt te kunnen beschrijven op basis van de Israëlische staatsarchieven, zonder de politieke, culturele, sociale en psychologische omgeving van zowel Israël als de Arabische wereld daarbij te betrekken, en ook nog eens zonder veel aandacht te besteden aan de enorme invloed van de Koude Oorlog op de Israëlisch-Arabische betrekkingen, is een illusionist, iemand met een politieke agenda of een combinatie van beide.

Ijzeren muur

Dat laatste geldt zeker voor Shlaim, die meer als polemist dan als historicus te werk gaat, maar in beperktere mate ook voor Morris. Israëls Nieuwe Historici hopen met hun weergave en interpretatie van het verleden de toekomst te beïnvloeden. Daarom bestrijden zij in hun werk de traditionele geschiedschrijving van Israëls oorlogen. Het is een mythe, zeggen zij, dat het kleine en belegerde Israël zich staande hield tegen een gigantische Arabische overmacht. De Israëli's waren qua mankracht en wapens altijd superieur. Die bewering is echter, zeker wat betreft de oorlog van 1948, gewoon onjuist en geldt – hoewel in veel mindere mate – ook niet voor de Zesdaagse Oorlog van 1967.

Shlaims uitgangspunt is het betoog van Wladimir Jabotinsky, de rechts-zionistische leermeester van Israëls latere premier Menahem Begin. In 1923 stelde Jabotinsky dat de zionistische beweging zich niet uitsluitend moest richten op immigratie naar en de opbouw van Het Land Israëls, dat de Britten inmiddels verdeeld hadden door Trans-Jordanië van Palestina af te scheiden en daar de kolonisatie van joden te verbieden. Hij voorspelde dat de Arabieren zich met geweld teweer zouden stellen tegen de plannen om het joodse volk in Palestina te vestigen, en voorzag een eindeloze oorlog. Daarop moesten de joodse kolonisten zich met een eigen leger voorbereiden; pas als zij sterk genoeg waren en afgeschermd door een `IJzeren Muur', zouden de Arabieren tot een compromis bereid zijn.

Hoewel de socialistische zionisten Jabotinsky's ideeën en zijn Herut-beweging verketterden, brachten zij, volgens Shlaim, bewust of onbewust, zijn leerstellingen in de praktijk. Hij vindt dat verderfelijk, aangezien de Arabieren de natuurlijke bevolking van Palestina waren en de zionisten indringers. Vandaar zijn nadrukkelijke voorkeur voor politieke compromissen die de zionistische beweging maar niet sloot, zijn grote afkeer van David Ben Gurion en Moshe Dayan die een keiharde politiek tegenover de Arabieren voerden, en zijn uitgesproken sympathie voor `gematigden' als Moshe Sharet, de vroegere minister van Buitenlandse Zaken. Maar de auteur spreekt zich herhaaldelijk tegen. Bijvoorbeeld als hij over die zo `soepele' Sharet zegt: `Inzake de algemene voorwaarden voor een regeling met de Arabieren bestond er geen echt meningsverschil tussen Sharet en Ben Gurion. Beiden geloofden dat een regeling op de status quo gebaseerd moest zijn'.

Het probleem van de `Nieuwe Historici' is dat zij in hun pogingen om Israëls geschiedenis in een ander daglicht te plaatsen, de werkelijkheid minstens net zoveel ombuigen als de `Oude Historici' – maar dan de andere kant op. De traditionele geschiedschrijvers mogen erg veel begrip hebben voor alles wat de zionisten en Israël deden. Shlaim is op zijn beurt niet minder tolerant ten aanzien van de Arabieren. Zo gelooft hij op basis van een interview met koning Hussein van Jordanië dat de drie nee's (nee tegen erkenning, nee tegen onderhandelingen en nee tegen vrede met Israël) die de Egyptische president Gamal Abdel Nasser drie maanden na de Zesdaagse Oorlog van 1967 op de Arabische topconferentie van Khartum doordrukte, zijn versluierde bereidheid weergaven om een feitelijk arrangement met Israël te sluiten. Shlaim schrijft ook: `De Arabische leiders weigerden het akkoord te tekenen, omdat zij principieel gekant waren tegen de formele erkenning van Israël' – zonder daaraan de logische conclusie te verbinden dat vrede toch niet écht de bedoeling was.

Ook Morris is van mening dat Israëls leiders tussen 1948 en 1956 eenvoudigweg weigerden ook maar één enkele concessie inzake land of water te overwegen, teneinde vrede te bereiken. Hij vindt hen `opmerkelijk op slechts één doel gericht en star'. Maar hij geeft tegelijkertijd toe: `Het is onduidelijk of de Arabische leiders, als Israël wat meer tegemoetkomend was geweest, daaraan gevolg hadden gegeven.'

Het Palestijnse vluchtelingenprobleem neemt bij de Nieuwe Historici bijna net zo'n vooraanstaande plaats in als bij de Palestijnen zelf. Volgens Shlaim is heel simpel alleen Israël schuldig aan dat probleem. Morris was in een eerder boek veel genuanceerder: `Het Palestijnse vluchtelingenprobleem kwam voort uit de oorlog en was geen vooropgezet plan.' Maar in zijn nieuwe boek komt hij tot een totaal andere conclusie: het vluchtelingenprobleem is het gevolg van de vroegste ideeën van de zionistische beweging om de Arabieren uit Palestina te gooien (de zogeheten `transfer') en de angst van de Arabische bevolking dat de zionisten dat zouden doen. Die angst voor verjaging en onteigening was, aldus Morris, de belangrijkste motor voor het Arabische vijandschap tegen het zionisme.

Dat is een dubieuze stelling. `Transfer' stond niet op het programma van de zionistische beweging, die zich jarenlang uitsluitend concentreerde op het idee van joodse massa-immigratie naar en de opbouw van Palestina. Wél werd binnen de leiding van de zionistische beweging herhaaldelijk het idee geopperd om Palestijnse Arabieren aan de andere kant van de Jordaan te hervestigen, waar men land voor hen zou aankopen en waar men hen desnoods met geweld naartoe zou verhuizen. Maar het bleef theorie, omdat de Arabieren, en dus uiteindelijk ook de Britse regering, er niets van wilden weten. Het is ook niet waar dat de Palestijnse Arabieren bang waren voor `transfer'. Hun angst, woede en verzet betrof de komst van tienduizenden niet-Arabische, niet-islamitische vreemdelingen, die steeds meer macht en invloed kregen en Palestina dreigden over te nemen. Die reactie was even natuurlijk als begrijpelijk.

Ander daglicht

Morris' bewering dat de zionistische beweging in de jaren dertig tot de conclusie kwam dat `transfer' de enige oplossing was om de vervolgde joden uit Europa naar Palestina te brengen, juist op een ogenblik dat de Britten de poorten van Palestina voor de joodse immigratie sloten, wordt niet door feiten gestaafd. Zelfs als men tot de overtuiging was gekomen, zoals Morris zonder bewijs stelt, dat `Palestina niet in een joodse staat kon worden omgevormd, tenzij de hele of het merendeel van de Arabische bevolking was verdreven', dan nog zou de zionistische beweging domweg niet in staat zijn geweest dat plan uit te voeren, al was het maar omdat zij in Palestina onvoldoende macht had en buiten Palestina onvoldoende invloed.

Dat is trouwens nóg een karakteristiek van Israëls Nieuwe Historici: zij schrijven zowel de zionistische beweging als Israël veel meer macht toe dan deze in werkelijkheid ooit hadden. En ze belijden schuld omdat ze denken dat als Israël de Arabische wensen maar vervult, het eindelijk rust en vrede zal vinden, en een gewoon landje zal worden aan de Middellandse Zee.

De argeloze lezer die niet erg thuis is in de geschiedenis van het Israëlisch-Arabische conflict, zal met genoegen constateren dat hier `nette joden' aan het woord zijn met uitsluitend goede bedoelingen. Maar de Nieuwe Historici zijn en blijven Israëli's. Vandaar dat Morris aan het eind van zijn boek terecht stelt dat over een langere periode bezien `de Israëlisch-Arabische oorlogen zeker een matigend effect hebben gehad op de verschillende partijen'. Ook schrijft hij dat het succes van de zionistische onderneming `niets minder dan een wonder is geweest'. Soortgelijke contradicties treft men ook aan bij Shlaim, die geen geheim maakt van zijn bewondering voor de toch bepaald niet compromis bereide Jabotinsky en Begin.

De Nieuwe Historici zijn van groot belang voor iedereen die het huidige Israël beter wil begrijpen. Hun ideeën, die inmiddels gedeeltelijk zijn doorgedrongen in Israëls culturele en politieke elite, en sinds kort ook in de schoolboeken, illustreren niet alleen de volslagen verwarring in de Israëlische samenleving; ze zijn ook de Messianistische spiegelbeelden van wat de radicaal-nationalistische kolonisten in de bezette gebieden bezielt.

De kolonisten en hun politieke aanhang verwachten dat zij met hun inzet en Gods zegen het `complete' en sterke Israël uit de Bijbelse tijd weer tot leven kunnen brengen. De Nieuwe Historici denken dat dankzij hun geschriften en alsjeblieft zonder God een klein en aan zijn omgeving geheel aangepast Israël een harmonieuze toekomst met de Arabieren tegemoet kan gaan.

Avi Shlaim: The Iron Wall. Israel and the Arab World.

W.W. Norton, 670 blz. ƒ94,25

Benny Morris: Righteous Victims. A History of the Zionist-Arab Conflict. John Murray, 751 blz. ƒ106,25