Het geloof is Ida Gerhardts stuifmeel

Vier jaar geleden verscheen de bloemlezing Hoefprent van Pegasus van Ida Gerhardt. Er zat verrassend genoeg geen inleiding bij, terwijl de poëzie van Gerhardt te boek staat als behoorlijk ontoegankelijk en ook de keuze van de gedichten best toegelicht had mogen worden. Frans Berkelmans was de juiste persoon geweest voor inleidende woorden.

Berkelmans zoekt in Kwatrijnen, sonnetten & kleengedichtjes vakkundig en enthousiasmerend naar de structuur van de gedichten en bundels van Ida Gerhardt. Het boek is het vijfde deel in de Acanthvs-reeks over de poëzie van Gerhardt en het eerste waarin maar liefst drie bundels tegelijk worden aangepakt. Kwatrijnen in opdracht (1949), Sonnetten van een leraar (1951) en De argelozen (1956) worden in drie afzonderlijke essays besproken. Berkelmans noemt de korte gelegenheidsverzen uit deze laatste bundel in navolging van Guido Gezelle `kleengedichtjes', vandaar de titel. Hij stelt dat de bundels `tot op heden nog geen aparte aandacht' kregen, maar dat excuus heeft Berkelmans helemaal niet nodig; het spreekt tenslotte vanzelf dat deze bijzondere reeks over het vroege werk van Gerhardt voortgezet wordt.

Zo ontoegankelijk als de poëzie van Gerhardt is, zo toegankelijk is het werk van Berkelmans. Hij heeft er dan ook alles aan gedaan: een apart inlegvel met alle kwatrijnen, schema's op de voor- en achterflap, een heldere opbouw van de essays en een vloeiende stijl. Rode draad vormt het feit dat Gerhardt haar bundels zo rigoureus herzag. Berkelmans onderzoekt waarom en volgens welk principe Gerhardt snoeide. Bloem na bloem bespreekt Berkelmans de gedichten, die steeds twee of vier van dezelfde plant blijken te zijn: de linker- en rechterpagina staan als kruiskruid met elkaar in verband. Ook de bundels in hun geheel ordende Gerhardt heel strikt. Berkelmans noemt de gedichten uit Kwatrijnen in opdracht thematisch `drie lussen van één snoer'. De bundel gaat over `mijn land, mijn volk, mijn taal' en hoewel Gerhardt dat zelf al eens in een interview zei, maakt Berkelmans dit met schitterende souplesse waar.

`Psyche', uit Sonnetten van een leraar, gaat over de ziel van een dagpauwoog. Berkelmans ontpopt zich als een behendige lezer door dit gedicht van een extra, metafysische boodschap te voorzien en toont eveneens prachtig de chemie van de bundeling: de thema's van de veertien gedichten vormen de versregels van een sonnet. En zo weerspiegelt de ordening van de gedichten de vorm van ieder gedicht afzonderlijk. Je moet er maar op komen en het vervolgens ook nog met zoveel gemak kunnen bewijzen.

Over argeloosheid gaat het laatste essay, dat het kortst is en het meest voorzichtig. Het raakt met tere vlindervleugels aan het zuivere van het kind. Berkelmans maant de lezer dan ook aan ontvankelijk te lezen, zodat kroonblad, kelk en steel zich aftekenen. Woord voor woord weet Berkelmans de kleengedichtjes van betekenissen te voorzien.

Alledrie de essays raken in de interpretaties aan het christelijk geloof en de oudheid, het stuifmeel van Gerhardts poëzie. Toch ligt de nadruk bij deze in beheer van de Sint-Adelbertabdij van Egmond-Binnen uitgegeven studie op het gelovige aspect. Dat is soms wat jammer, omdat een diepere invulling vanuit de klassieken eveneens iets interessants had kunnen opleveren. Maar, zoals theoloog Berkelmans stelt, interpreteer je nou eenmaal met de bagage die je bij je hebt. Bovendien is Berkelmans er de man niet naar een andere visie op de gedichten uit te sluiten. Rustig en toch met een stevige pas neemt hij de lezer aan de hand mee, terwijl hij niet meer dan suggesties doet, waar desondanks natuurlijk toch geen speld tussen te krijgen is. Regelmatig stelt hij vragen die de lezer prikkelen en gebruikt hij bescheiden woorden als `naar mijn gevoel' of `misschien'. Dit beleefde enthousiasme versterkt het leesplezier en dwingt zonder meer bewondering af.

Het enige wat je mist, is een bespreking van de drie bundels tezamen als een soort afsluiting van dit boek. Misschien wordt zo'n totaalanalyse, na alle volgende Gerhardt-studies die Berkelmans hopelijk nog schrijft, als laatste deel toegevoegd. Je zou kunnen tegenwerpen dat we zo'n analyse al hebben, met De wereld van het vers (1985) van Gerhardts vriendin M.H. van der Zeyde. Maar hoewel Berkelmans soms even tegen deze beschrijvingen aan zit, geeft hij veel meer diepte aan de gedichten door uitgebreider en coherenter naar betekenissen te zoeken. Waar Van der Zeyde steekproefsgewijs laat zien wat zij mooi vindt, toont Berkelmans gedegen het vernuft van gedicht en bundel.

Binnenkort verschijnt een nieuwe bloemlezing en wederom schrijft Frans Berkelmans hiervoor geen inleiding. Laten we het maar zo zien: dat geeft hem in ieder geval de tijd verder te werken aan deze omvangrijke serie studies. Tenslotte gooide hij stiekem al een balletje op toen hij stelde: `Dat het dichtvermogen voor Ida Gerhardt een psychische overwinning behelst, zou vooral aan de hand van Het levend monogram (1955) aannemelijk te maken zijn.' Dat doet uitzien naar het volgende Acanthvs-deel.

Frans Berkelmans: Kwatrijnen, sonnetten & kleengedichtjes. Over drie genrebundels van Ida Gerhardt. Essays. Acanthvs, 176 blz. ƒ35,- (alleen te bestellen bij Sint-Adelbertabdij, Abdijlaan 26, 1935 BH Egmond-Binnen)