Het beste is altijd goed genoeg

Michael Franks maakt muziek in een weinig populair genre, de `light jazz'. Zijn stem is bijna slijmerig. Maar zijn platen zijn geweldig.

Smooth jazz. Muziek van artiesten als Kenny G., Lee Ritenour, Thom Rotella. Technisch goed verzorgde muziek, maar melodieën als lauwe pap, uitgevoerd op een manier waarbij de producten van de firma Muzak nog ruw afsteken. Glad, zonder ook maar een enkel bobbeltje, en eigenlijk voornamelijk geschikt om in restaurant en lounge flink doorheen te kletsen, dan wel bij in slaap te vallen. Of om razend van te worden, van zoveel muzikale gemakzucht en verspild talent. Als je het een mep kon verkopen, dan zou het glimlachend opstaan om je de hand te schudden. Onuitstaanbare muziek, kortom. In de Verenigde Staten is het de best verkopende jazzvariant, maar in Nederland hoor je er gelukkig weinig van. Alleen bij sommige, destijds tijdens de opkomst van punk afgehaakte popmuziekliefhebbers schijnt het in de smaak te vallen. Op de radio wordt het nog wel eens gedraaid door dj's uit het pre-punktijdperk. Het behoort tot het muzikale erfgoed van een generatie waarin The Eagles aan de top stonden (hun Greatest Hits is met 27 miljoen exemplaren de best verkochte plaat aller tijden), en van artiesten als het Electric Light Orchestra en Alan Parsons. Muziek gemaakt vanuit het hoofd, niet langer vanuit de heupen. Het is bekend: al die technische en muzikale knowhow, het werd door het succes van trendgoeroe Malcolm McLaren's Sex Pistols onverbiddelijk naar de mestvaalt van de mode verwezen.

Ondergeschoffeld door de attitude en de verfrissend grote bek van punk. Leuk voor de jeugd, maar voor diegenen die al opgegroeid waren met Rolling Stones en Pretty Things natuurlijk een gepasseerd station. Wat overbleef was de superieure pop van Steely Dan, de enige popgroep die een succesvol eigen mengsel van pop met jazz wist te creëren. Toen bleek jazz zelf toch nog niet dood te zijn. Er waren zelfs jazzartiesten die elementen uit rock overnamen en nog wat later zelfs uit pop, de zogenaamde light jazz (voorzover het die naam nog verdient). Jazzliefhebbers, die destijds al paars aanliepen toen hun god Miles Davis zich encanailleerde met rockrapalje als Marcus Miller, verafschuwen het, ditmaal terecht, en hun recensenten luisteren er niet naar dus bespreken het niet. In dat vermaledijde genre zit echter één artiest die er bovenuit steekt en tegen wil en dank dienst doet als de uitzondering die de regel bevestigt. Hij is het romantische neefje van Steely Dan, en zijn naam is Michael Franks.

Geen stem zo week, zo bijna slijmerig, als die van Michael Franks. Het zorgt er bij elke plaat opnieuw voor dat die in eerste instantie tegenvalt. Daar komt nog bij: geboren in La Jolla, Californië, met een voorkeur voor zorgeloze teksten over zon, zand en zee. Een hoogst verdachte combinatie, maar die niet resulteert in de onverdraaglijke muziek van het type vamos a la playa/olé olé olé (bis), of in die typisch Californische new age-zweverij met quasi diepzinnige teksten. Na enkele keren afspelen begint echter de kwaliteit van zijn muziek door de aanvankelijke weerzin heen te breken.

Franks heeft goed begrepen dat een zo karakteristieke stem als de zijne zich niet leent voor vocale acrobatiek: het zou zijn muziek over de rand van de afgrond duwen waarop zij nu balanceert. Daarbij zet hij zichzelf in zijn teksten niet als middelpunt neer, maar observeert hij liever zijn omgeving. Geen tekstdichter die zo vaak refereert aan andere artiesten of film- en romanpersonages, van Ponce de Leon tot Cleopatra: een waslijst van namen.

Berkeley

Al op de middelbare school zit Franks in folk- en rockgroepjes. Nadat hij is afgestudeerd op het onderwerp contemporary songwriting doceert hij muziek in Berkeley en Los Angeles, en schrijft daarnaast filmmuziek alvorens in 1973 zijn eerste plaat te maken. Previously Unavailable is nog doorsnee easy listening, en The Art of Tea ('76) is niet veel beter. De zelf geschreven teksten getuigen weliswaar van een zekere spitsvondigheid, maar muzikaal gezien is er nog niets wat zou kunnen duiden op een meer dan middelmatig talent. Wel wordt Franks bij het maken van zijn tweede plaat onder de hoede genomen van producer Tommi LiPuma. Die laat Franks op de plaat begeleiden door The Crusaders, een groep die in de jaren zestig en zeventig muziek maakte die een mengeling was van soul, r&b en hard bop. Dat is echter op het met al te brave light jazzy pop volgespeelde The Art of Tea niet te horen. Het levert wel een hit op met `Popsicle Toes'. En het blijkt bovendien het begin van de vaste werkwijze van Franks onder het motto: het beste is altijd goed genoeg. De beste producers, arrangeurs, en muzikanten. Hetzelfde principe dat Steely Dan, maar dan in het rockidioom, hanteert, en dat in beide gevallen resultaten van kaliber oplevert.

Achteraf is het bijna onverklaarbaar, dat iemand die debuteert met twee zulke middelmatige platen, al een jaar later plotseling een zo tijdloos mooie plaat weet te maken als Sleeping Gypsy. De nietszeggende zondagmiddagjazz is vervangen door muziek met een tropische gloed. Het ademt Franks' liefde voor Braziliaanse muziek, met die lome, superieur soepele swing van de ritmesectie. Van The Crusaders doen alleen nog Larry Carlton (gitaar) en Joe Sample (piano, toetsen) mee. Zij zijn aangevuld met muzikanten als Michael Brecker (hoorn, tenorsax), David Sanborn (altsax), Wilton Felder (elektrische bas) en John Guerin (drums).

Hoewel slechts twee van de acht nummers in Rio de Janeiro zijn opgenomen, klinkt de plaat alsof de studio op een ternauwernood open plek in het tropisch regenwoud heeft gestaan. Teksten zijn dromerig, zonder zweverig te worden. De muzikanten, op hun eigen platen zo vaak alleen uitblinkend door technisch vernuft, maar al te vaak lijdend aan een gebrek aan interessante muzikale ideeën, krijgen in de afgewogen arrangementen van Claus Ogerman alle gelegenheid om te schitteren. Maar nooit te lang: dit blijft popmuziek. Weliswaar met een sterk jazzy feel, maar de muziek draait duidelijk om het liedje, niet om een verduiveld interessante akkoordenreeks. Zo kan een kort aan de lijn gehouden Larry Carlton uitblinken in `The Lady Wants to Know', in `I Really Hope It's You' en `Down in Brazil'. En kan Michael Brecker gedoseerd en beschaafd tekeer gaan in `B'wana-He No Home'. De strijkers spelen met die typisch Zuid-Amerikaanse, wat afstandelijke en vibratoloze klank, schijnbaar simpele, maar geraffineerde partijen. En nergens komen al die elementen zo mooi bij elkaar als in `Antonio's Song/The Rainbow', Michael Frank's ode aan zijn vriendschap voor Antonio Carlos Jobim: Antonio loves the desert./ Antonio prays for rain/ Antonio knows that Pleasure/ Is the child of Pain./ And lost in La Califusa/ When most of my hope was gone/ Antonio's samba led me/ To the Amazon. (La Califusa = Los Angeles, Californië, U.S.A.).

Tekst en zang, ritmesectie, strijkers en aan het slot die steeds weer te vroeg eindigende, lyrische altsaxsolo van David Sanborn maken het tot een vroeg hoogtepunt in Franks' oeuvre.

Tijger

Burchfield Nines, het daarop volgende album, is een terugkeer naar het idioom van zijn eerdere werk en haalt niet het muzikale niveau van zijn directe voorganger. Dat wordt pas weer benaderd in Tiger in the Rain ('79). Tommy LiPuma is vervangen door John Simon (The Band, Leonard Cohen), de sfeer is opnieuw tropisch. Contrabassist Ron Carter speelt een glansrol. Hoor hoe hij zijn bas voor tijger laat spelen – Most of the time/ He's the Lord of the jungle -/ Everyone grins while he gripes/ Usually he's found just lounging around/ In his stripes – terwijl Carter het natgeregende beest chagrijnig door het verregende woud laat sluipen en Franks vertelt over zijn lot. He's a Tiger in the Rain/ It's the thunder and lightning/ He can't explain/ He's a Tiger in the Rain/ Who's frightened. Met een uitgebreide maar ingetogen gearrangeerde blazerssectie en bijdragen van sterren als Mike Mainieri, Bucky Pizzarelli en Flora Purim behoort de plaat tot Michael Franks' beste werk.

De hoge kwaliteit van die twee platen kan Franks in de jaren tachtig niet volhouden. One Bad Habit is vooral commercieel een succes, en Objects of Desire kan beschouwd worden als een iets minder geslaagd vervolg op Tiger in the Rain. Voor het eerst maken we hierop kennis met zijn fascinatie voor het werk van Paul Gauguin. Er is zelfs even sprake van een musical over de schilder, en nog steeds duiken er op Franks' platen liedjes op over hem en zijn tijdgenoten.

Pas aan het eind van het decennium slaat de vlam weer in de pan met het onovertroffen Blue Pacific. Waar op Tiger in the Rain en Sleeping Gypsy de Amazone regeert, zo heerst op deze plaat de Stille Oceaan. When I saw you on the beach I self-destructed/ My well constructed/ Counterpoint of cool. Van ieder ander zou het niet meer zijn dan een zoveelste cliché over het strandleven, maar `All I Need' is een loflied op de liefde en de lust. De ditmaal veel vinniger begeleiding vormt het nodige contrapunt voor de romantische klank van de stem. Dezelfde groep muzikanten speelt mee in `Vincent's Ear', impressionistisch van vorm en inhoud, waarin opnieuw een bassist uitblinkt. Neil Stubenhaus huppelt met zijn elektrische fretloze bas als over een evenwichtsbalk, en steeds wanneer je denkt: nu valt hij, dan belandt hij met een elegante sprong vederlicht op de grond om de melodie even bij de kladden te pakken voor een duw in de enig juiste richting. Beide nummers zijn geproduceerd door Steely Dan's Walter Becker. (Die zal dezelfde muzikanten een paar jaar later gebruiken voor de opnamen van 11 tracks of whack, het rauwe en meest energieke album dat hij ooit met Donald Fagen maakte, wonderlijk ondergewaardeerd, en dat beschouwd mag worden als het `verloren album' van Steely Dan.)

Blue Pacific maakt zonneklaar hoe Michael Franks zich heeft ontwikkeld tot de tropische, romantische neef van de immer wat kil en afstandelijk klinkende Steely Dan. Maar waar die groep, (die tussen 1980 en 2000 geen enkele nieuwe studioplaat meer uitbracht) ooit via een stel pophits tot het grote publiek is doorgedrongen en daardoor op de radio wordt gedraaid, past de muziek van Franks niet in een vakje en is dus op de Nederlandse radio niet te horen. Het verdwijnt hier in de uitverkoopbakken. Dat is jammer omdat er behalve de drie door Walter Becker geproduceerde nummers nog een handvol, weer door LiPuma geproduceerde stukken van een zeldzame, hypnotiserende schoonheid op staan. Zoals het slotnummer, Crayon Sun, dat zelfs de grootste cynicus na het wegsterven van de laatste tonen achterlaat in een bijna meditatieve trance.

De afwisselende en vaak wat steviger aanpak van de muziek wordt doorgezet. Het is mede een gevolg van de samenwerking met Yellowjackets-bassist Jimmy Haslip, die op de laatste platen niet alleen meespeelt maar ze ook, zoals de laatste, in '99 verschenen cd Barefoot on the Beach, voor een deel produceert.

Eind december, we zijn op de helft. Nog 4 maanden, dan wordt het hier in Nederland misschien weer eens warm. Geen nood: op de platen van Michael Franks is het altijd mooi weer.

Sleeping Gypsy (WB 7599-27311); Tiger in the Rain (WB 7599-27388); Blue Pacific (Reprise 7599-26183); Barefoot on the Beach (Windham Hill 01934 11443)