Geest en vlees in steen

Na Amarante, dat ons verraste met erotische Sintkoeken, zetten wij koers naar de noordelijke provincies Minho en Trsà-os-Montes (Over-de-bergen). Minho is vernoemd naar de grensrivier tussen Portugal en Galicië. Het gebied is rijkelijk voorzien van Romeinse resten, kloosters, landgoederen en bedevaartplaatsen. En natuurlijk van wijngaarden, waar de druiven voor de `vinho verde' (groene wijn) rijpen. In het noordoostelijke Trsà-os-Montes klopt het oude hart van Portugal. Lees maar wat Gerrit Komrij er in zijn roman `Over de bergen' van zegt: ,,Een land van uitersten waar 's winters de wolven de dorpen binnentrokken en waar de armoede middeleeuwser was, de vreugde geloviger en het pittoreske wreder.''

We komen door morsige, stoffige dorpjes, waar de blauwe regen in dichte trossen boven deuren en over afdakjes hangt. In de schaduw van de bomen op het marktplein leggen oude mannen een kaartje. Vuilnis en dode honden liggen aan de kant van de weg. Elk dorp heeft wel een restaurant, waar witgedekte tafeltjes en houten stoelen op klanten wachten. Uit de open deur waait een geur van gebakken vis en knoflook. Mijn reisgenoot Arie Pos foetert naar hartelust op andere weggebruikers die geen kaas hebben gegeten van beschaafd verkeersgedrag. Sinds kort bezit hij zijn rijbewijs.

,,Mijn vrouw herkent me niet meer als ik achter het stuur zit'', grijnst hij. En het moet gezegd, wat rijstijl betreft, doet hij niet voor Portugezen onder.

Pos woont al tien jaar in Ctêe, een dorpje ten oosten van Porto, de tweede stad van Portugal. Een eenvoudig stenen huis vormt het middelpunt van een wijngaard. De meeste tijd brengt hij in zijn werkkamer door, waar hij de boeken van Portugese auteurs in het Nederlands en die van Nederlandse auteurs in het Portugees vertaalt. Hij heeft een aardige documentatie opgebouwd over de Portugese denkwereld, in het bijzonder over het volksgeloof.

,,Diep in het binnenland van Portugal, waar de grond stenig en schraal is, en de gezichten van de mensen donker en verweerd, krommen duivelsbruggen zich over rivieren en steile ravijnen'', meldt ons folkloristisch handboek. Het klinkt als het veelbelovende begin van een streekroman. Maar de duivelsbrug moet nog even wachten; het wonder van de `stenen vrouwenschoot' vraagt eerst onze aandacht.

De twee torens van de kerk van Cervães zijn al van verre te zien. De aan Onze Lieve Vrouwe van de Voorspoedige Bevalling gewijde kerk ligt hoog boven de vlakte. Rijdend als een Portugese verkeersdelinquent scheurt Pos tegen de heuvel op; kinderen en kippen springen verschrikt de berm in. Aan de buitenkant van de kerk is niets bijzonders te zien. Maar binnen ... zien wij twee tegen elkaar leunende stenen, gevangen in geelwit kaarslicht. De punt van het altaar steekt precies in de donkere spleet tussen beide rotsblokken. In de volkskundige gids, die wij bij ons hebben, wordt gesproken over het oersymbool van de `baarmoederrots'. Dergelijke suggestieve plekken speelden vroeger een belangrijke rol bij vruchtbaarheidsriten in oude natuurgodsdiensten.

Van de vrouw die met stofzuiger en boenwas het interieur onder handen neemt, horen wij dat er een paar dagen geleden een pelgrimage heeft plaatsgevonden. Duizenden gelovigen dromden op de heilige heuveltop samen. De opbrengst bedroeg maar liefst vijftienduizend gulden.

Het officiële verhaal gaat over een kluizenaar die in een grot woonde. Op de een of andere manier raakte Onze Lieve Vrouwe van de Voorspoedige Bevalling bij de grot betrokken. Later bouwde men de kerk over de grot heen. Boven de gewijde plek troont Zij in een wijd vallende blauwe jurk, omlijst door met resten bladgoud bedekt barok houtsnijwerk. Met kerst beleeft zij haar `finest hour': dan daalt vanuit haar nis het Kindje in de kerk neer.

Arie kijkt verbluft naar het oersymbool, naar deze markante vermenging van vlees en geest, het Hogere en het Lagere, religie en erotiek. ,,Geen wonder dat men op deze plek zijn huwelijk laat inzegenen'', mompelt hij.

Dit is een fragment uit het reisdagboek `Al dwalend' dat januari 2001 bij uitgeverij Atlas verschijnt.