Een verbitterde, oprechte Beatle

Over de laatste vijf jaren van ex-Beatle John Lennon, die in 1980 werd vermoord, zijn twee zeer verschillende verhalen in omloop. In de roze versie was hij een brave huisvader die thuisbleef om voor zijn zoon Sean te zorgen. Dit verhaal wordt nog steeds met succes verspreid door zijn weduwe Yoko Ono. In de zwarte versie daarentegen was Lennon een drugsverslaafde met boulimie die te zwak en te angstig was om de deur uit te gaan. Deze versie komt vooral van biograaf Albert Goldman, die een kwaadaardige scheldbiografie over Lennon schreef, The Lives of John Lennon (1988).

Beiden mythes zijn onbetrouwbaar. Ono's verhaal is vaak door andere getuigen ontkracht, inclusief die van haar eigen zoon Sean die zelf helemaal niet zo'n rooskleurig beeld van zijn vader geeft. Goldman op zijn beurt baseert zich teveel op roddel, en is er te duidelijk op uit om Lennon zwart te maken. Het kan ook zijn dat Goldman en Ono allebei een beetje gelijk hebben. Een junkie met een eetstoornis kan best een lieve huisman zijn.

Biograaf Geoffrey Giuliano doet in Lennon in America zijn best om beide mythes samen te brengen en eindelijk eens een onbevooroordeelde biografie over Lennon te schrijven. De Beatles-jaren, uitputtend behandeld in The Beatles Anthology die eerder dit jaar uitkwam, laat hij buiten beschouwing. Hij schrijft alleen over de jaren dat Lennon en zijn vrouw in New York woonden, van 1971 tot 1980. Nadat The Beatles in 1970 uit elkaar waren gegaan, begint Lennon een solocarrière. Hij verhuist met de door velen gehate Yoko Ono naar Amerika waar hij zich bezighoudt met vredesactivisme. In 1975, na de geboorte van zijn zoon Sean, trekt Lennon zich terug uit het openbare leven, om pas in 1980 weer een elpee te maken, Double Fantasy. Lennon is net weer vol nieuwe energie, als hij op 8 december voor zijn woning in het Dakotagebouw aan Central Park West, wordt doodgeschoten door Mark Chapman, een gestoorde fan.

Als solo-artiest heeft Lennon nooit het peil gehaald van zijn beste werk met The Beatles. Hij greep terug op de rock `n' roll en de simpele gitaarliedjes zoals Bob Dylan die maakte. Toch heeft hij nog een handvol onsterfelijke geëngageerde en persoonlijke liedjes gemaakt: `Imagine', `Working Class Hero', `Instant Karma', `Jealous Guy', en de kerst-evergreen `Merry Xmas (War is over)'. Als voormalig leider van The Beatles, maar ook als vredesapostel en solo-artiest, aanbidden zijn fans hem nog altijd als een heilige.

Met Lennon in America is wel iets vreemds aan de hand. Giuliano zegt dat hij zich baseert op `de geheime dagboeken van John Lennon'. Er staat echter niet één citaat uit die dagboeken in de biografie, volgens Giuliano omdat het alleen maar `losse gedachtes en snippers' waren. De ware reden is waarschijnlijk dat hij geen toestemming om te citeren kreeg van Yoko Ono, die de rechten heeft op het Lennon-materiaal. Grote delen van het boek zijn daardoor oncontroleerbaar en maken zelfs een onbetrouwbare indruk, ook al omdat Giuliano vaag doet over de herkomst van het `dagboek'.

Vervelend leven

Giuliano moet wat de mythologie betreft vooral Albert Goldman gelijk geven. Zijn voornaamste ontdekking is dat Lennons laatste vijf jaar verbazingwekkend saai waren. De ex-Beatle verveelde zich dood. Seks werd hem door zijn vrouw onthouden, waardoor hij zijn gerief moet zoeken bij zijn huismasseuse (het wemelde van het personeel in huize Lennon) en veelvuldige masturbatie, volgens de amateur-Freudiaan Giuliano duidelijk wijst op een gestoorde seksbelevenis.

Wat een verveling, en wat een vervelend boek levert het op. Voor lezers die niet zijn ingewijd in de Lennon-geschiedenis valt er niets te beleven. Wanneer het eindelijk spannend wordt, verliest de biograaf zijn interesse. De moord raffelt hij af in een alinea. Opwindender waren de jaren 1970-1975, maar ook daar schiet Giuliano doorheen. Aan Lennons muziek besteedt hij bijna geen aandacht. Dat gold ook al voor Goldman. Of het nu om Elvis, Picasso of Lennon gaat, een scheldbiograaf zorgt er kennelijk altijd voor dat zijn boek zo min mogelijk gaat over het scheppen van meesterwerken. En dat terwijl Lennon in die jaren wel degelijk mooie muziek maakte. Met zijn geweldige elpee `John Lennon/ Plastic Ono Band' rekende hij af met zijn Beatles-verleden. In `God' somt hij al zijn desillusies op. Lennon wilde eindelijk zichzelf zijn, waar en oprecht, in plaats van een opgeruimde, ondeugende Beatle.

Het boek Lennon remembers, een complete transscriptie van het interview dat hoofdredacteur Jann Wenner in 1971 met hem had voor het tijdschrift Rolling Stone, sluit perfect bij die plaat aan. Het interview verscheen in 1972 al in boekvorm, maar toen was er in de tekst geknipt. Dit boek, ook verschenen in een slordige vertaling, bevat de `ongecensureerde' versie, wat vooral betekent dat Yoko Ono zo nu en dan iets overbodigs roept.

Lennon gebruikte dit interview vooral om zijn gal te spuwen over zijn Beatles-frustraties; bittere uitspraken die niet in de Anthology terecht zijn gekomen. Volgens Lennon was het verschrikkelijk om zo beroemd te zijn, het verziekte alle plezier in muziek maken: `One has to completely humiliate oneself to be what the Beatles were', is een kernuitspraak. Paul McCartney wordt afgedaan als een gewiekste zakenman, George Harrison als een jochie dat nog in de kerstman gelooft. Woedend is Lennon vooral over de onbeschofte manier waarop de andere Beatles Ono, zijn nieuwe vrouw, behandelden. Het uiteenvallen van de groep leek sprekend op een echtscheiding, inclusief het `vreemdgaan' van Lennon met Ono, waardoor de zaak escaleerde, en de liefde die omsloeg in haat en zakelijke rompslomp.

In het interview komt Lennon niet bepaald over als een sympathiek mens, vooral niet met zijn antisemitische opmerkingen over McCartney's schoonvader, met wie hij een zakelijk conflict had, of als hij de zegeningen van Mao's Culturele Revolutie in China bezingt. Maar Lennon blijkt wel te zijn geworden wat hij wilde zijn: een echt en oprecht mens, met al zijn gebreken. Bovendien is hij, als altijd, geestig en scherp.

Begin jaren zeventig was Lennon ook politiek actief. Hij keerde zich tegen de Amerikaanse inmenging in Vietnam, tegen Nixon, en gaf geld aan goede èn dubieuze doelen, zoals aan een aan de IRA gelieerde partij. Genoeg reden voor de FBI en de CIA om de muzikant scherp in de gaten te houden. Hij werd ervan verdacht in 1971 de Republikeinse conventie in Miami te willen verstoren, omdat hij 75.000 dollar had gestort in de kas van een club nieuw-linkse activisten. Aangespoord door president Nixon gelaste FBI-directeur J. Edgar Hoover zijn agenten Lennon te volgen en zijn telefoon af te tappen.

Geheime dossiers

Tot voor kort was het FBI-dossier over Lennon geheim. Jon Wiener, docent geschiedenis aan de University of California, vocht veertien jaar lang rechtszaken uit om het boven water te krijgen. De belangrijkste documeten verzamelde hij, royaal geannoteerd, in Gimme some Truth. Vreemd genoeg gaat het boek nauwelijks informatie over Lennon. Wieners boek is vooral een mooi bronnenboek over de gespannen politieke situatie in Amerika begin jaren zeventig, waarin hij schetst hoe de Nixon-regering politieke tegenstanders probeerde uit te schakelen, en hoe latere regeringen probeerden zulke duistere praktijken geheim te houden.

Uit de FBI-documenten, in facsimile afgedrukt, blijkt dat Lennon geen enkele misdaad beraamde. Wiener toont aan dat de FBI dat ook wel wist: `He does not give the impression he is a true revolutionist since he is constantly under influence of narcotics.' Toch bleef de dienst Lennon bespioneren, en samenspannen met de vreemdelingendienst om hem het land uit te krijgen.

Het is merkwaardig dat de FBI zoveel moeite deed om deze documenten achter te houden, gezien de weinig schokkende inhoud. Volgens de FBI zou publicatie kunnen leiden tot `politieke en economische instabiliteit', mogelijk zelfs tot `militaire represailles van een buitenlandse mogendheid'. Dat lijkt iets teveel eer voor een popster die eigenlijk al snel genoeg had van de poltiek en ruzie kreeg met zijn activistische vrienden. De FBI laat zich bovendien in de documenten kennen als een stel veldwachters die er niet in slagen om het juiste adres van Lennon te noteren en die een foto van hem gebruiken (opdat de agenten hem op straat kunnen herkennen) waarop niet de ex-Beatle staat afgebeeld, maar de protestzanger David Peel.

Sommige geleerden beweren dat Lennons moordenaar Mark Chapman geen eenzame gek was – daarvoor zou hij te vakkundig hebben geschoten – maar dat hij gestuurd was door de FBI. Uit Gimme some Truth kunnen we concluderen dat de FBI-agenten nooit tot zo'n moord in staat zouden zijn geweest. Ze wisten niet eens waar hij woonde, en zelfs al hadden ze Lennon willen vermoorden, dan hadden we ons nu verwonderd over de mysterieuze dood van David Peel, protestzanger en bedenker van de slagzin: `The pope smokes Dope'.

Geoffrey Giuliano: Lennon in America. Cooper Square Press,

271 blz. ƒ72,20

Jann S. Wenner: Lennon Remembers, Verso, 151 blz. ƒ56,50

(De Nederlandse vertaling Lennon ongecensureerd door Ed van Eeden verscheen bij Het Spectrum, 167 blz. ƒ26,35)

Jon Wiener: Gimme some Truth. The John Lennon FBI Files. University of California Press, 358 blz. ƒ52,80