Een uytmuntendt konst-werk

In Nederland bestaan nog tien oude poppenhuizen.

In musea zijn ze een publiekstrekker van de eerste orde. Uit een mooie, grondige studie blijkt dat deze huizen een realistisch beeld van oude interieurs geven.

De Duitse reiziger Zacharias von Uffenbach bezichtigde in 1718 het destijds in binnen- en buitenland beroemde pronkpoppenhuis van de twee jaar daarvoor overleden koopmansvrouw Petronella Oortman. In zijn reisverslag schreef Uffenbach enthousiast en in detail over zijn drie uur durende bezoek aan de woning van Oortmans weduwnaar aan de voorname Amsterdamse Warmoesstraat, waar het poppenhuis zich nog steeds bevond. Na een vriendelijke ontvangst door de dochter van de voormalige eigenares, werd het poppenhuis aan hem en zijn reisgezelschap getoond, waarbij anekdotes werden verteld en diverse onderdelen werden gedemonstreerd. De spanning steeg en stap voor stap gaf het huis zijn geheimen prijs. Het water uit de keuken kwam door middel van een pompje omhoog, een minuscuul boekwerkje werd uit de bibliotheekkast gehaald, en van een van de poppen kregen de bezoekers de `Hollandse' onderbroek te zien, zo noteerde Uffenbach.

Bijna vijfentwintig jaar, van circa 1686 tot 1710, had Petronella Oortman aan de bouw en de inrichting van haar poppenhuis besteed. Uffenbach schatte de prijs van het totale kabinet, dat `wohl der kostbarste in Europa' was, op 20.000 tot 30.000 gulden. Ter vergelijking: omstreeks 1685 bracht een huis aan de Herengracht ongeveer hetzelfde bedrag op.

Het poppenhuis van Petronella Oortman, nu een van de bekendste en meest geliefde objecten uit het Rijksmuseum, vormt het hoogtepunt onder de tien pronkpoppenhuizen uit de periode 1675-1800 die in Nederland bewaard zijn gebleven. Van deze tien exemplaren behoren er inmiddels zeven tot het nationaal museumbezit, terwijl twee van de drie stukken in particulier eigendom aan musea in bruikleen zijn gegeven. Hoewel de poppenhuizen nooit in de vergetelheid zijn geraakt en sinds jaar en dag tot de publiekstrekkers in de musea behoren, werden ze tot diep in de twintigste eeuw in wetenschappelijk opzicht amper interessant gevonden. Poppenhuizen waren slechts kasten gevuld met vakkundig gemaakte miniatuurvoorwerpen, die aantrekkelijk waren voor vrouwen en kinderen, zo oordeelden de kunsthistorici. Museumconservatoren vonden het zelfs goed dat de poppenhuizen `gezellig' werden ingericht, waarbij zowel de poppen als de voorwerpen uit hun context werden gehaald en van het ene naar het andere vertrek, of zelfs van het ene poppenhuis naar het andere verhuisden. Tot ver in de jaren zeventig verschenen er enkel wat summiere educatieve publicaties ten behoeve van het grote publiek.

Opdracht

`Voor een in de interieurgeschiedenis geïnteresseerde kunsthistoricus lag er een enorm terrein braak', schrijft Jet Pijzel-Dommisse in de handelseditie van haar proefschrift Het Hollandse pronkpoppenhuis. Interieur en huishouden in de 17de en 18de eeuw. Door puur toeval kwam zij in 1977 in aanraking met dit fascinerende onderwerp. Haar boek, mooi vormgegeven en prettig leesbaar, is de neerslag van het onderzoek dat zij bijna een kwart eeuw verrichtte naar de poppenhuizen in vier Nederlandse musea. Pijzels eerste studieobject was het poppenhuis dat halverwege de achttiende eeuw werd ingericht door de welgestelde Amsterdamse koopmansvrouw Sara Rothé en dat zich momenteel in het Frans Halsmuseum in Haarlem bevindt. Pijzel gebruikte de laat-achttiende-eeuwse inventarisbeschrijving die samen met Rothé's `poppekas' bewaard was gebleven als basis voor haar onderzoek en voor de inventarisatie en herinrichting ervan. Vergelijkbare ondernemingen volgden voor het Centraal Museum te Utrecht en voor het Haags Gemeentemuseum.

In de jaren negentig begon Pijzel, inmiddels uitgegroeid tot Nederlands onbetwiste poppenhuisexpert, aan haar grootste project. Dat waren de drie prachtige maar ook zeer verschillende poppenhuizen van het Rijksmuseum: het kostbare kabinet van Petronella Oortman, het iets oudere poppenhuis van haar stadsgenote Petronella Dunois, en het enigszins afwijkende `Grachtenhuis', dat vermoedelijk halverwege de achttiende eeuw in Amsterdam werd gebouwd voor een nog onbekende opdrachtgever. Pijzels bevindingen omtrent deze drie objecten vormen tevens de hoofdmoot van haar boek.

De Hollandse pronkpoppenhuizen werden vervaardigd in opdracht van vrouwen uit de welgestelde regenten- en koopmansklasse, een groep die niet alleen kon bogen op een rijke verzameltraditie, maar die ook beschikte over ruime financiële middelen en die toegang had tot de beste ambachtslieden, stelt Pijzel. In tegenstelling tot buitenlandse poppenhuizen uit hetzelfde tijdvak zijn de bewaarde Hollandse exemplaren gebouwd als kabinet, met deuren voorzien van glasruiten en een in vakken ingedeeld binnenwerk, waarbij ieder vak een ingerichte kamer bevat. De kast en de diverse vaste en losse onderdelen van de poppenhuizen werden door verschillende ambachtslieden gemaakt, terwijl er ook op beperkte schaal kant-en-klare miniatuurtjes te koop waren. In vergelijking met buitenlandse stukken zijn de Hollandse kasten bijzonder fijn uitgevoerd; de hoge prijs van het poppenkabinet van Petronella Oortman werd waarschijnlijk zelfs grotendeels bepaald door het kostbare mozaïek van schildpad en tin – in Holland weinig toegepaste materialen – aan de buitenkant.

Kamerpot

Pijzel maakt op overtuigende wijze duidelijk dat de poppenhuizen werden beschouwd als zogenaamde `kunstkasten': meubelen waarin curiositeiten werden gepresenteerd. Daarbij ging het om naturalia zoals koraal en arteficialia als bewerkt ivoor, maar bovenal om `poppegoet', nabootsingen in miniatuur van allerhande voorwerpen. In het poppenhuis van Petronella Dunois, dat werd voltooid in 1676 – de datum is met spelden aangebracht op een speldenkussentje in de kraamkamer – bevinden zich nog ruim 200 stuks `poppegoet' in zilver, waarvan ongeveer de helft stamt uit de zeventiende eeuw: een spinnewiel en een kamerpot, maar ook een schuier en een beugelschaar. Het pronkpoppenhuis, met zijn scala aan miniatuurnabootsingen van gebruiksvoorwerpen, was een weerspiegeling van de wereld van de huisvrouw, ja zelfs van een ideaal huishouden, zo betoogt Pijzel. In een laat-achttiende-eeuwse beschrijving wordt het befaamde poppenkabinet van Petronella Oortman dan ook geprezen als `het volmaakste middel dat bedacht kan worden, om aan vreemdelingen een net denkbeeld te geeven van de alom beruchte Hollandsche zindelyke en propere Oeconomie of Huishouding.'

Maar hoe betrouwbaar zijn de bewaardgebleven poppenhuizen als bron voor de kennis van het Nederlandse interieur en het huishouden in de zeventiende en achttiende eeuw? Die vraag neemt een centrale plaats in. De catalogus waarin de drie poppenkabinetten uit het Rijksmuseum worden beschreven en geanalyseerd, beslaat dan ook het het grootste deel van het boek. Het poppenhuis confronteert de beschouwer volgens Pijzel meer dan enig ander kunstwerk, direct met de wijze waarop onze voorouders woonden en leefden. Op zorgvuldige wijze vergelijkt zij de inhoud van de poppenhuizen met bewaardgebleven interieurs en voorwerpen, en met informatie uit contemporaine bronnen als boedelinventarissen en plattegronden. Hoewel de poppenhuizen ook minder natuurgetrouwe elementen bevatten, zijn ze, concludeert Pijzel, over het algemeen als visuele bron betrouwbaarder dan genreschilderijen.

Het overdadige beeldmateriaal in deze publicatie, voor een groot deel werk van Rijksmuseum-fotografe Margareta Svensson, is van uitzonderlijke kwaliteit. Zowel Pijzels betoog als de catalogus-entries leunen zwaar op de liefst 700 afbeeldingen (200 in kleur en 500 in zwart-wit) die de poppenhuizen, het `poppegoet' en de poppen tot in het kleinste detail tonen. Die overvloed aan foto's is onontbeerlijk in een ambitieuze publicatie als deze, die nog decennialang als naslagwerk zal dienen. Allereerst zijn daar de vele honderden uiterst minutieuze, maar nauwkeurig uitgewerkte en veelzeggende details die helaas hoe dan ook verloren gaan in de museale opstelling van de poppenhuizen. Pijzels publicatie geeft ze alsnog prijs, in woord en beeld: de stapeltjes lakens en slopen uit een linnenkabinet, de bier- en wijnvaatjes in een verborgen kelder, de kussens van een kinderkakstoel, en de zijden kousen van een damespop. Enkele afbeeldingen tonen echter ook zaken die de opdrachtgeefsters en hun ambachtslieden en kunstenaars liever voor het oog van een bezoeker verborgen hielden, zoals de kale, onbewerkte achterzijde van het poppenhuis van Petronella Oortman, die een schril contrast vormt met de zo rijk bewerkte voorkant.

Geheimen

Pijzels boek bevat `voor elck wat wils'. Historici die zich bezighouden met de zeventiende en achttiende eeuw kunnen zich verdiepen in de vele details en omschrijvingen die inzicht geven in het dagelijks leven. Voor kunsthistorici zijn er onder meer de schilderijen en de muur- en plafondschilderingen. Kostuumhistorici zullen zich vergapen aan de twintig wassen poppen uit het poppenhuis van Petronella Dunois, die tonen welke kleding een min, een knecht en een dame droegen in het laatste kwart van de zeventiende eeuw. Voor architectuurhistorici en restauratiedeskundigen zijn er de interieurs – kraamkamers, kleerzolders en porseleinkamers – waar amper nog ander beeldmateriaal van bestaat, en die soms nog voorzien zijn van de oorspronkelijke wandbekleding. Pijzel onttrekt alle geheimen van de poppenhuizen voor eens en altijd aan de vergetelheid. Een laat-achttiende-eeuwse tekst omschrijft het poppenhuis waar Petronella Oortman bijna vijfentwintig jaar `met een ongelooflyke moeyte [en] vlyt' aan werkte als `een uytmuntendt KONST-WERK Van 't welk naar alle vermoeden in gansch Europa, noch elders, eene weêrga zal kunnen aangetoondt worden'. Het hier gepubliceerde onderzoek van Jet Pijzel, eveneens de vrucht van een kwart eeuw noeste inspanning, verdient vergelijkbare lof.

Jet Pijzel-Dommisse: Het Hollandse pronkpoppenhuis. Interieur en huishouden in de 17de en 18de eeuw. Waanders/Rijksmuseum, 448 blz. ƒ150,-