Een panorama van gemorste kralen

In The Figure in the Carpet merkt de Engelse schrijver en criticus Henry James op dat een literair oeuvre bekeken moet worden als een Perzisch tapijt. Verschillende figuren, ingewikkelde motieven, herhalingen van schema's, kleuren en hun onderlinge combinatie kunnen pas in kaart gebracht worden als ze met een zekere afstand worden beschouwd. Door van een bepaalde hoogte het hele veld te overzien, kan de kijker of de lezer de compositie van het labyrint pas goed bekijken, vallen overeenkomsten en verschillen beter op en komt de ordening tot zijn recht. Een beperktere invalshoek van dichterbij geeft daarentegen beter zicht op de details.

Al in haar eerste, autobiografische essay Zelfportret als legkaart (1954), geeft Hella Haasse blijk van eenzelfde benaderingswijze. Zoekend naar de bronnen van haar schrijverschap, peinzend over haar wens `het verhaal te schrijven van de mens en zijn verschillende werkelijkheden in de stroom van de tijd', beschrijft Haasse haar associaties met `het patroon van de mat [...], een in kaart gebrachte microcosmos'. Nu bestaat Haasse's microkosmos weliswaar uit `een panorama van vlekken en oneffenheden en verkleuringen, gemorste kralen en potloodslijpsel' en ook zal haar `matten vloerbedekking in de voorkamer' een prozaïscher aanblik hebben geboden dan James' theoretische hoogpolige Perzische tapijt – toch ontwikkelt Haasse in de loop van haar boek dezelfde denkbeelden en een vergelijkbare terminologie: `de instelling verandert, het beeld verspringt'. Ook voor Haasse ligt in het motief van herhaling, het steeds terugkeren van dezelfde situaties, momenten en `gevoelstoestanden', de bron tot inzicht. Ook Haasse spreekt van horizontale (kringloop-) bewegingen en bewegingen van verticale groei. Ook Haasse beschouwt, tenslotte, literatuur als `bewuste keuze', als `rangschikken', waarbij segmenten van werkelijkheid en verbeelding worden gebundeld tot `een nieuwe figuur die ons inzicht in het denken en doen van de mens vergroot'.

Onlangs bundelde de schrijfster haar belangrijkste beschouwingen over de Nederlandse literatuur van na 1945, onder de titel Lezen achter de letters. Ze maakte een keuze uit al eerder in boekvorm verschenen essays (over S. Vestdijk, Anna Blaman, W.F. Hermans, Jan Wolkers, Anton Koolhaas, A. Alberts en Maarten 't Hart) en vulde deze aan met opstellen die eerder in kranten, tijdschriften of in brochurevorm werden gepubliceerd.

Doolhoven

Zoals Haasse in haar romans een fascinatie aan de dag legt voor raadsels en doolhoven, kenmerken haar essays zich door een bevlogen rationele speurzin. Schrijven, lezen, bestuderen, vergelijken, analyseren en ontrafelen zijn bij Haasse onlosmakelijk met elkaar verbonden – getuige eerdere essaybundels als Leestekens (1965), Zelfstandig bijvoeglijk (1972), Bladspiegel (1985) en meer recent Uitgesproken, opgeschreven (1996). `Spoorzoekend achter het thema aan' doet Haasse verslag van haar leeservaringen, verhaalt van haar herkenningen en ontdekkingen en analyseert, met enorme eruditie, de oeuvres die haar na aan het hart liggen. Niet met de blik van de kunstenaar – aan dat woord heeft zij een hekel, zo schreef zij in haar eerste essaybundel Leestekens, omdat het verschil schept waar volgens haar geen verschil is –, maar met de blik van de mens `die wat hij waargenomen of ervaren heeft transformeert door zijn zielshartstocht'. Zielshartstocht staat bij Haasse niet gelijk aan dichterlijke verhevenheid of passie. Haar blik is dan ook meestal observerend en analytisch. Haar toon is nooit hoogdravend, maar eerder bedachtzaam, nadenkend en betrokken.

`Zielsverwantschap' lijkt daarentegen wel een sleutelwoord in Haasse's literatuurbeschouwingen. Zou het toeval zijn dat haar essays zich met grote regelmaat toespitsen op personages die `buitenstaanders' zijn, die door de maatschappij worden verstoten of geridiculiseerd? In haar openingsessay `Overeenkomstig en onvergelijkbaar', over Multatuli en Louis Paul Boon benadrukt Haasse dat hun beider verbeelding vroegtijdig werd geïnspireerd `door van oudsher onder het volk levende voorstellingen' van Robin Hood-achtige figuren. Multatuli is, schrijft Haasse, `een bevlogen eenling, die niet behoort tot de massa die hij zou willen opheffen uit nood en onwetendheid', Woutertje Pieterse `in zijn kleinburgerlijke omgeving een buitenbeentje', terwijl Boon, hoezeer hij ook behoefte had aan `geestverwanten' en zich vereenzelvigde met de socialistische drukker-journalist Pieter Daens, `in hart en nieren een individualist was.'

Die spanning tussen opgaan in de maatschappij en leven als een scheppend individu – de keuze tussen kunst en het leven – lijkt ook een thema dat Haasse zoekt bij geestverwanten door de eeuwen heen. In haar essay over de Ina Damman-ervaring van Vestdijk, wiens poëtische gedrevenheid stoelt op `de allerindividueelste ervaring van schoonheid, liefde en het gemis daarvan', bestudeert Haasse grondig Vestdijks affiniteit met Gérard de Nerval, Edwin Robinson en Emily Dickinson, `één van de meest raadselachtige figuren uit de literatuur'. Het zijn alledrie eenlingen zonder noemenswaardig sociaal leven, `vreemdeling op aarde', gekenmerkt door ervaringen van `gemis', `mislukking, vervreemding, argwaan jegens de wereld'. Met toewijding analyseert Haasse Robinsons `Luke Havergal' en Nervals `Arthémis', waarbij ze heel precies de symbolen duidt van zonsondergang, nacht en windrichting. Terugkomend bij Vestdijk veronderstelt Haasse dat de Ina Damman-episode de `meest geslaagde, want meest geïnspireerde' was dankzij de intensiteit waarmee Anton/Simon in die periode een jeugdliefde beleefde. Het is één van de weinige keren dat Haasse ertoe besluit een verband te leggen tussen auteur en personage. Over zichzelf schreef ze eerder: `Het masker, het decor doet niet ter zake, wat ik ook schreef het ging over mijzelf' (Zelfportret als legkaart).

Minder eerbiedig

Te oordelen naar haar lossere, als het ware minder eerbiedige toon, lijkt Haasse zich directer aangesproken te voelen door de uitzonderingspositie van Anna Blaman, op een andere manier een buitenstaander. In het in 1965, in Leestekens, eerder gepubliceerde essay neemt Haasse het hartstochtelijk op voor de in die tijd wel `vies en cynisch en goddeloos' bevonden schrijfster, die in haar werk `de gore pietepeuterige aspecten van het kleinburgerlijke Hollandse binnenhuisje en de broeierige sfeer van allerlei niet-verwerkte bindingen' verbeeldde. Blamans werk draait volgens Haasse om het thema van de eenzaamheid, om de tragedie van een naar liefde snakkend wezen en `de onbereikbaarheid van die talloze schijnbaar nabije anderen'. Onomwonden roemt Haasse het ontbreken van `egocentrische geëxalteerdheid, van een etaleren van het ``anders-zijn'' als sensatie' – zeldzaam voor die tijd.

Hoe je het ook wendt of keert, Lezen achter de letters moet je in meer of mindere mate lezen door een bril met historisch perspectief. Het essay is wellicht, meer nog dan de roman, een tastend, `pogend', tijdsgebonden genre. Bas Heijne neemt de temperatuur van deze tijd aan de hand van Coetzee, Günter Grass en Bret Easton Ellis. Joost Zwagerman gaat uit van Herman Brusselmans of William Burroughs om iets over onze tijd en over zichzelf te beweren. Haasse's Nederlandse literaire meesters heten Vestdijk, Hermans of Wolkers. Haar buitenlandse geestverwanten zijn in deze bundel niet opgenomen.

De tapijtjes van hedendaagse essayisten lijken meestal oprolbare, felgekleurde, kunstig gevlochten matjes – licht, inspirerend, eigentijds vluchtig en ideaal om mee te nemen naar het strand, waardoor ze, vol zandkorrels, een tijdje blijven prikkelen. Het literair Perzisch tapijt dat Haasse voor ons uitrolt is van aanzienlijk zwaardere kwaliteit. Het vraagt om een lederen Chesterfield-fauteuil, een schemerlamp en een mooi pianoconcert op de cd-speler.

Hella S. Haasse: Lezen achter de letters. Querido, 297 blz. ƒ47,50