Echt gebeurd als enig excuus

Echt gebeurd is geen excuus, luidt Gerard Reve's wet van de onbruikbaarheid van de werkelijkheid. Die wordt op zijn kop gezet in de `autobiografische fictie' van bijvoorbeeld Hans Dorrestijn en Els Hupkes. Uiteindelijk bijt dat genre zich in de eigen staart.

`Er bestaat geen goede biografie van een goede romanschrijver. Die zou niet eens kunnen bestaan, want als een schrijver ook maar een beetje iets voorstelt is hij te veel mensen tegelijk', schreef Scott Fitzgerald in een van zijn notebooks. Misschien is de uitspraak aanvechtbaar voor zover hij de onmogelijkheid van een goede biografie over een gecompliceerde persoonlijkheid betreft, maar als definitie van wat onder een goede fictieschrijver moet worden verstaan, is hij adequaat. Een romanschrijver, hoezeer hij ook uit zijn eigen levenservaringen en zijn reflectie daarop mag putten, heeft als eigenschap dat hij zich zodanig kan verplaatsen in de karakters en omstandigheden van de personages die hij creëert dat hij die karakters aanneemt: Madame Bovary c'est moi.

Romanschrijvers die zoveel levens leven dat ze nauwelijks meer in één biografie te vangen zijn, lijken schaars te worden. In de publiciteit worden ze weggedrukt door auteurs die geen andere ambitie koesteren dan het navertellen van slechts één leven: dat van henzelf. Al jarenlang wordt de Nederlandse literaire markt vervuild door schrijvers die de wet van de onbruikbaarheid van de werkelijkheid, zoals door Gerard Reve geformuleerd in Zelf schrijver worden, aan hun laars lappen. Ze veronderstellen dat een ongestileerde en integrale weergave van de werkelijkheid een goede roman zou opleveren en beseffen niet dat de werkelijkheid daarvoor te saai, te onwaarschijnlijk of te ongeloofwaardig is. `Echt gebeurd', aldus Reve, `is geen excuus'.

`Van onder welke steen zijn ze toch opeens te voorschijn gekomen, auteurs die geen andere bronnen lijken te hebben dan hun eigen bestaan', vroeg Renate Dorrestein zich af in haar eerder dit jaar verschenen essay Het geheim van de schrijver. In dit leerboek voor romanciers in spe koppelt ze een hartstochtelijk pleidooi voor literaire verbeelding aan een fikse aanval op het als fictie vermomde `autobiografisch geschrijf', dat in de jaren negentig (met als commercieel hoogtepunt Connie Palmens I.M.) tot één van de meest populaire genres in de letteren is uitgegroeid. Wel, die steen heet beroemdheid: in toenemende mate exploiteren mensen die via de massamedia naam hebben gemaakt hun bekendheid, daarbij handig inspelend op de behoefte van het publiek aan sleutelgatliteratuur. En wanneer er over zo'n leven weinig spectaculairs valt te melden, tja dan verzinnen we er wat bij, veranderen hier en daar een naam en noemen het resultaat `roman'.

Voorlopig lijkt deze trend nog wel even door te zetten. De bestsellerslijsten van het afgelopen jaar laten zien dat het onder de steen waar Renate Dorrestein zo'n aanstoot aanneemt, nog steeds lustig krioelt. Dit najaar kroop Hans Dorrestijn eronder vandaan met Finale kwijting, een pak ronkend proza vol eendimensionaal zelfbeklag. Kort daarna volgde Els Hupkes, die in De kleine Britt uit de doeken doet hoe ze leeft met de moord van haar echtgenoot Ferdi E., dertien jaar geleden, op Gerrit-Jan Heijn.

Beide non-fictie boeken dragen het predikaat `roman' en beide figureerden een paar weken in de overzichten van best-verkochte fictie. Uiteraard werd dit succes – net als dat van I.M. twee jaar geleden – voorbereid met luidruchtige mediacampagnes om vooral niemand te laten ontgaan dat het hier `echt gebeurde' geschiedenissen betrof. Dorrestijn buitte zelfs de ellende uit van zijn ex-echtgenote (die de rechter vergeefs om een publicatieverbod had gevraagd, omdat ze zich in het boek beledigend geportretteerd achtte) door Finale kwijting te laten verschijnen in een buikbandje met de tekst: `Onverhuld maar niet verboden.' Els Hupkes gebruikte de presentatie van haar `roman' als aanleiding voor interviews waarin ze er geen twijfel over liet bestaan dat haar personages en hun wederwaardigheden compleet samenvallen met de werkelijkheid.

Wie op basis van de publiciteit Hupkes' `roman' De kleine Britt. Het leven na de overval las, deed dit uit nieuwsgierigheid naar de ware toedracht. En wie een oordeel over het boek velde, velde daarmee een moreel oordeel over de schrijfster en haar nog altijd gevangen zittende echtgenoot. In kranten en tijdschriften ontspon zich zelfs een discussie over de vraag of mevrouw Hupkes nog wel het recht had om van haar moorddadige man te houden en daar publiekelijk kond van te doen. Lousje Voskuil-Haspers, echtgenote van schrijver J.J. Voskuil noemde kritiek op Hupkes in een brief aan NRC Handelsblad van 17 oktober `een nekslag voor de autobiografische literatuur'. Zij beschouwt De kleine Britt als `therapie', wat volgens haar `de beste en misschien wel enige reden is om te schrijven.'

Nu is er niets tegen schrijven als therapie en zelfs niets tegen therapeutisch schrijven over eigen ervaringen. Het heeft de mooiste boeken van de Nederlandse literatuur opgeleverd: Max Havelaar, Het Land van herkomst, Het Bureau, om maar een kleine greep te doen. Maar anders dan `het autobiografisch geschrijf' waar Renate Dorrestein zo denigrerend over doet, zijn dit stuk voor stuk literaire werken waarvan de auteurs als het ware de biografie van fictieve personages (Max Havelaar, Ducroo, Maarten Koning) hebben geschreven. Schrijvers die fictionele (auto)biografieën schrijven pretenderen, anders dan auteurs van autobiografische fictie, niet de waarheid te vertellen, niet de dingen te beschrijven zoals ze zijn of zouden moeten zijn. De werkelijkheid die zij creëren is fictie geworden, boven de realiteit uitgetild, al was het maar omdat fictieschrijver zich realiseren dat de werkelijkheid niet te beschrijven valt.

Schrijvers die de wet van Reve loochenen – Dorrestijn en Hupkes zijn daarvan twee recente voorbeelden – lijden aan onmacht om de werkelijkheid te interpreteren. Hun boeken vereenvoudigen de werkelijkheid in plaats van haar te compliceren en daarmee houden ze op fictie te zijn. Autobiografische fictie bestaat niet: een verhaal is òf autobiografisch òf fictief, allebei tegelijk is uitgesloten. Vraag aan Hupkes wat haar boek tot fictie maakt en ze antwoordt: `Het is een roman door de vorm. Alle andere vormen van onderscheid vind ik onzin' (NRC Handelsblad 23.9.00). Alsof een roman slechts uit `vorm' zou bestaan en alsof het kenmerk van fictie niet ook en vooral is dat het ontsproten is aan de verbeelding van de auteur die een nieuwe werkelijkheid creëert, losgezongen van de realiteit.

Een van de problemen die kleven aan het onzuivere genre van niet-fictionele romans is dat ze om buiten-literaire redenen geschreven zijn en alleen op grond van buiten-literaire criteria kunnen worden beoordeeld. Literaire critici die zulke boeken krijgen toegestuurd omdat er nu eenmaal `roman' op staat weten er zich meestal geen raad mee. Daarom worden ze steeds vaker helemaal niet meer besproken en als het wel gebeurt, dan krijgt in de kritieken over het algemeen de hoofdpersoon en daarmee de auteur er duchtig van langs.

In Het geheim van de schrijver verbaast Renate Dorrestein zich erover dat mensen die enkel en alleen over hun `eigen ervaringen' willen schrijven, dat niet gewoon doen in de vorm van non-fictie, in plaats van in de vorm van die aanstellerige hybride, de autobiografische `roman', die helemaal geen roman is. Vermoedelijk zijn de redenen daarvoor gemakzucht en lafheid. Wie het lef heeft man en paard te noemen in een publicatie waar niet `roman' op staat, loopt de kans op forse schadeclaims. Een fictieschrijver kan zich achter zijn personages verschuilen, hij kan zijn hoofdpersoon de meest vreselijke meningen laten verkondigen en de grievendste kwalificaties in de mond leggen over bestaande personen, zonder daarbij veel risico te lopen. Ook ligt het binnen zijn mogelijkheden de lezers een schijn van werkelijkheid te bieden en intussen (het is immers een roman) de werkelijkheid volledig naar zijn hand te zetten. In fictie bestaan geen leugens en bedrog, geen laster of smaad, een fictieschrijver hoeft (goddank) geen rekenschap af te leggen over zijn verhaal.

Een non-fictie auteur moet dat wel. Wie een biografie of een autobiografie schrijft, waarin met naam en toenaam genoemde of anderszins herkenbare mensen optreden, heeft zich te houden aan de regel van de controleerbaarheid en kan niet zomaar iets over zichzelf of anderen uit zijn duim zuigen. Vandaar dat uitgevers met dergelijke boeken veel zorgvuldiger omspringen dan met romans. Zouden er juridische problemen zijn ontstaan wanneer Els Hupkes het relaas over de rampzalige toestand waarin Ferdi E. haar en haar gezin heeft gestort door zijn misdaad als non-fictie had opgeschreven? Ik zou niet weten waarom. Waarschijnlijk zou het boek juist aan kracht hebben gewonnen als de feiten waren gedocumenteerd, zodat de lezer er op had kunnen vertrouwen dat dit het echte verhaal is en niet een samenraapsel van Wahrheit und Dichtung. Wanneer Hupkes, net als bijvoorbeeld Ed. van Thijn, een autobiografie had geschreven, waarin ze zichzelf, haar man en haar huwelijk aan een grondige analyse had onderworpen, met inachtneming van de regels van controleerbaarheid en privacybescherming, was dit document humain oneindig interessanter geworden. Ongetwijfeld had het dan evenlang als Het verhaal, Van Thijns memoires die kort voor De Kleine Britt het licht zagen, op de bestsellerslijsten gefigureerd. Nu haakten de kopers snel af, teleurgesteld omdat het boek een roman bleek te zijn, die bovendien als roman is mislukt.

Evenmin als Hans Dorrestijn in Finale Kwijting of als Connie Palmen in I.M. maakt Hupkes gebruik van literaire taal of literaire technieken. Er is in de opeenstapeling van herinneringen, gesprekken, brieven en politiedocumenten geen structuur te ontdekken, maar ook geen ruimte voor andere interpretaties dan de hare. Liefhebbers van literatuur, altijd op zoek naar meerduidige teksten en meerstemmigheid, worden buitensgesloten, terwijl ook de non-fictieliefhebber geen bevrediging vindt

Tekenend voor de ontoereikendheid van Hupkes `fictie' is dat het intrigerendste onderdeel van de `roman' het minst fictionele is, namelijk het hoofdstukje `Citaten uit het psychiatrisch rapport betreffende Dickie Kahl', dat naar we mogen aannemen letterlijke passages uit het psychiatrisch rapport over Ferdi E. bevat. Daarin wordt het proces van zeer ernstige `depersonalisatie' beschreven waarin de moordenaar terecht kwam voor hij zijn misdaad beging. `Depersonalisatie veroorzaakt', aldus het rapport, `in significante mate lijden of beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke levensterreinen. Soms wordt deze toestand als zo kwellend beleefd dat men vlucht in bewustzijnsveranderende middelen of men verliest zich in zelfbeschadigende activiteiten.' Voorwaar een interessant thema voor hetzij een (auto)biografie, hetzij een echte roman van een echte schrijver die het literaire métier beheerst en zijn verhaal een universele betekenis kan geven door het boven de kale werkelijkheid van de arme Hupkes en haar gedetineerde man uit te laten stijgen.

Waarom ze, ondanks haar evidente literaire onmacht het verhaal niet gewoon als autobiografie heeft opgeschreven, laat Hupkes haar hoofdpersoon uitleggen aan een psychiater. Ze wil, vertrouwt ze hem toe, niet over `het echte leven' schrijven, want `het echte leven is onleesbaar'. Als voorbeeld haalt ze Primo Levi aan. Diens boeken vindt ze onleesbaar, omdat ze `te naakt zijn, te uitgekleed.' `Er is geen enkele ruimte voor troost, niets wordt verzacht door poëzie of humor. [...] Het moet dragelijk blijven. Kunst is een prachtig middel om het ondraaglijke dragelijk te maken.'

Kunst moet het ondraaglijke draaglijk maken? Iemand die zoiets beweert moet nog veel lezen, Kafka, Voskuil desnoods, of Lucebert, maar vooral niet proberen zelf literatuur te schrijven, die haar waarde toch in de eerste plaats ontleent aan het vermogen de ondraaglijkheid van het bestaan zichtbaar te maken, liefst zo verontrustend mogelijk.

Tussen Hupkes' autobiografische roman en Hans Dorrestijns door de literaire kritiek hetzij genegeerde, hetzij neergesabelde Finale kwijting zitten opvallende overeenkomsten: ook deze roman is vormloos, ongestructureerd, stijlloos en met een schrijnend gebrek aan inlevingsvermogen opgeschreven. Evenmin als De kleine Britt is Finale kwijting fictie te noemen. De schrijver heeft geen enkele afstand tot zijn hoofdpersoon aan wie hij volkomen identiek is wat betreft naam, beroep en levensgeschiedenis. Weliswaar heeft hij om juridische redenen de namen van enkele personen veranderd, maar de enkeling die ik herken, zoals de professor moderne letterkunde annex romanschrijver Ton Beekmeyer is volkomen naar de werkelijkheid getekend, tot op de adressen waar hij gewoond heeft. Als Dorrestijn bij de personages die model staan voor zijn ex-vrouw en haar huidige echtgenoot net zo te werk is gegaan, kan ik mij voorstellen dat ze zich zwaar genomen voelen en een gang naar de rechter hebben gemaakt.

Het verschil tussen Hupkes en Dorrestijn is dat de eerste een exceptioneel verhaal te vertellen heeft, dat veel mensen interesseert (we zijn niet allemaal met een moordenaar getrouwd), terwijl Hans Dorrestijn niet meer heeft te bieden dan een eenzijdig belichte echtscheiding zoals er dertien in een dozijn gaan. Het is het soort boek dat we misschien interessant zouden vinden als het geschreven was door (of over) een groot kunstenaar, een belangrijk politicus of een ander publiek persoon aan wie we ons graag spiegelen. Maar – en daarin schuilt de tragiek van Dorrestijn – hij is geen groot kunstenaar, geen persoonlijkheid die tot de verbeelding spreekt, maar een kleinkunstenaar met een te groot ego.

Zijn motief om dit boek te schrijven is erkenning van zijn kunstenaarschap, hetzelfde motief wat Hupkes heeft gedreven. In beider boeken is het (niet-erkende) kunstenaarschap van de hoofdpersoon het meest in het oog springende thema. Allebei behoren ze tot het slag schrijvers dat, zoals Piet Meeuse in zijn essaybundel Oud Nieuws schreef, graag gelezen en bewonderd wil worden en voor wie het verhaal dat ze te vertellen hebben slechts een middel is om die ambitie te bereiken. `De literaire cultuur is niet meer een cultuur van verhalenvertellers die zich dienstbaar maken aan een verhaal, maar van schrijvers die zich dienstbaar hebben gemaakt aan hun eigen verlangen om gehoord (dat wil zeggen: gelezen) te worden.'

Primo Levi had die behoefte om gehoord te worden ook, maar zijn verhaal, één dat zich bij uitstek niet leent voor fictie omdat het gebaat is bij waarheid en niets dan de verschrikkelijke waarheid, was geen middel maar doel. Evenmin als Hupkes heeft Dorrestijn dat helemaal begrepen. Ook hij haalt Levi aan ter rechtvaardiging van zijn armzalige geworstel met het weergeven van zijn ondragelijke werkelijkheid. Om het effect van de tegen hem uitgeoefende terreur van zijn ex-echtgenote (ze wilde niet meer met hem naar bed) uit te drukken schrijft hij, het is echt een gotspe: `Een soortgelijk wanhopig gevoel heeft Primo Levi beschreven.' Voor alle duidelijkheid: Levi schreef getuigenissen over Auschwitz, door Hupkes afgekeurd wegens ondraaglijkheid, alsmede het ontbreken van poëzie, humor en troost, door Dorrestijn gelijkgesteld met ordinair huwelijksleed.

Auteurs als Hupkes en Dorrestijn zetten het adagium van Gerard Reve `Echt gebeurd is geen excuus' volledig op zijn kop. `Echt gebeurd' is namelijk hun enige `excuus' om te schrijven en voor lezers de enige reden om hun boeken te kopen. Maar of dit verschijnsel nu `de' literaire cultuur bepaalt, zoals Piet Meeuse stelt, betwijfel ik. Vermoedelijk zal het monster van de auto-fictie, geschreven door mensen die hun bekendheid uitbaten, zichzelf op den duur wel in zijn staart bijten. Zodra het publiek in de gaten krijgt dat het predikaat `roman' staat voor `Echt gebeurd, maar niet heus', zal de belangstelling van de sleutelgatgluurders afnemen.

Arme Dorretje, zoals Hans Dorrestijn zich vol zelfvertedering in zijn Finale kwijting graag laat noemen. Ondanks de publiciteit van rechtszaak en buikbandje zal hij het afleggen tegen de echte romanschrijvers die iets verzinnen, die woorden vooraf laten gaan aan inhoud en niet omgekeerd, die zich niet door de werkelijkheid laten leiden, maar zich overleveren aan de leegte, het niets waaruit iets moet verschijnen. Hij en zijn mede nep-romanciers zullen het uiteindelijk verliezen van de kunstenaars: schrijvers die het leven beschrijven `zoals het leven is' zonder dat je als lezer maar een moment de neiging krijgt het beschrevene te willen verifiëren. Precies zoals Renate Dorrestein het in Het geheim van de schrijver aan amateurs uitlegt.

Arme Dorrteje, in zijn boek voert Dorrestijn tot twee keer toe Renate Dorrestein op als zijn `mislukte halfzusje', geen sterke grap voor een cabaretier, maar wel onthullend voor zijn zelfbeeld en literatuuropvatting. Wat een genadeslag moet het zijn om in een mislukt halfzusje zijn meerdere te moeten erkennen.

Hans Dorrestijn: Finale kwijting. Roman. De Arbeiderspers, 455 blz. ƒ39,90

Els Hupkes: De kleine Britt. Het leven na de overval. Autobiografische roman. Bert Bakker, 392 blz. ƒ45,–

Renate Dorrestein: Het geheim van de schrijver. Contact, 246 blz. ƒ32,90