De winter van Jan Wolkers

Het geweten van het Landschap

De ruigte van de duinen,

Ondoordringbaar van duindoorns en distels,

Doet vermoeden,

Dat het bloed nog niet verzand is.

De echo van een schreeuw:

Verdwijn!

De kraaien krijsen schor

Hun herinnering weg.

Zwermen koperwieken,

Zuidwaarts vluchtend,

Mijden het dal.

De Winterzee

De schotsen stapelen zich tot kariatiden,

De branding vindt geen doorgang naar de kust.

Wier ligt in luchtbel-ijs geklonken,

De adem van de krab.

Wie heeft gesproken?

Het zand is schrijfloos,

Hard als glas.

Een Parthenon van stuifsneeuw.

Kreunend ijs - sirenen zingen,

Blind van wartaal,

Uit het gecanneleerde graf.

    • Jan Wolkers