De waarheid op het kerkhof

Alle namen was de laatste roman die José Saramago geschreven had voordat hij in 1998 de Nobelprijs won. Een mooiere illustratie van Saramago's humanisme had de Zweede Academie van Wetenschappen zich niet kunnen wensen. De hele wereld is zinloos, laat hij de hoofdpersoon van dit boek denken, en de werken van het toeval zijn oneindig. Maar dat betekent niet dat de liefde machteloos is. In eerdere romans, zoals De stad der blinden en Het beleg van Lissabon, had Saramago al betoogd dat ze in staat is de onverschilligheid van de wereld te overwinnen. In Alle namen triomfeert ze zelfs over de dood. Meneer José, de hoofdpersoon van het boek, wordt er bijna letterlijk door herboren.

Meneer José is klerk bij de Burgerlijke Stand en bezeten van een bijzondere hobby. Hij verzamelt de persoonsgegevens van beroemde Portugezen, die hij in het archief waar hij werkt ongestoord kan achterhalen. Wanneer hij per ongeluk een extra systeemkaart uit de bakken licht, raakt hij geïntrigeerd door degene die daarop beschreven staat. Het is een vrouw zonder enig opvallend kenmerk, achter wier schaarse gegevens Meneer José de concrete persoon probeert te reconstrueren. Hij gaat langs bij haar huisadres, waar ze niet meer blijkt te wonen, breekt in bij de school waar ze werkt en wanneer ze plotseling overleden blijkt, bezoekt hij haar graf. Zijn onberispelijke ambtenarenleven raakt hopeloos ontregeld.

Tot zijn verbazing is dat niet alleen met zijn bestaan het geval. Zijn hoogste baas, de archivaris, legt een vreemde tolerantie voor zijn afkalvende discipline aan de dag. Diens heimelijke medeplichtigheid treedt naar buiten, wanneer hij bekend maakt dat de doden in het archief niet langer gescheiden zullen worden van de levenden: `Want als je de doden tussen de levenden uit haalt, worden ze vroeg of laat vergeten'. De herinnering moet hen behoeden voor een definitieve teloorgang in het niet.

Wanneer meneer José is teruggekeerd van het kerkhof waar de onbekende vrouw begraven is, stelt de archivaris hem voor haar systeemkaart te vervangen door een nieuwe, waarop haar overlijden niet vermeld staat. Dat maakt haar dood niet ongedaan, maar in het archief – en dus in de herinnering – blijft ze er in ieder geval een levende persoon door. In de slotregels van het boek loopt meneer José met een nieuwe kaart in de hand de donkere gangen binnen om haar overlijdensacte te vernietigen.

Nog meer dan zijn vorige romans heeft Saramago Alle namen de vorm van een parabel gegeven. De beelden die hij gebruikt zijn vaak op het surreele af, vooral wanneer hij de krochten van het archief beschrijft waarin meneer José bij nacht en ontij ronddwaalt. Net als in zijn beschrijving van het kerkhof waar de onbekende vrouw begraven ligt, heeft Kafka hem daarbij merkbaar geïnspireerd. De dodenstad is even onafzienbaar, labyrintisch en verraderlijk als het archief en geen van beide zijn ze wat ze lijken te zijn. De harde feiten die ze belichamen (geboorte en dood, allebei even onontkoombaar) blijken helemaal niet zo onwrikbaar. Zelfs de archivaris laat aan het slot van het boek toe dat bedrog het archief binnensluipt, om het leven te redden van de dood. Op het kerkhof blijkt dat bedrog al veel langer gepleegd te worden.

Realisme is in deze roman ver te zoeken. Het zijn dan ook grootse en verheven zaken die hier op het spel staan, en – zo laat Saramago iemand zeggen – `de metafoor is altijd de beste manier om de dingen te verklaren.' Wellicht legt hij de bijbelse symboliek en de metaforiek er in Alle namen wat te dik op, maar het boek blijft verteerbaar door de laconieke dialogen die hij zijn figuren in de mond legt. Zoals zo vaak in zijn romans schuilt de humor ook hier in de botsing tussen de grote thema's en de banale details van de vertelde gebeurtenissen, die hij zijn personages op zijn janboerenfluitjes laat becommentariëren.

Alle namen is dus een soort moderne Elckerlijc: een moraliteit over dood en leven en over de onmisbare plaats van de liefde daarin. Hoezeer dat het leven van iedereen betreft, blijkt – net als in De stad der blinden – uit het ontbreken van elke eigennaam, wat in een boek met deze titel des te meer opvalt. Meneer José is de enige uitzondering, maar ook van hem krijgen we alleen maar de voornaam te horen, wat zijn inwisselbaarheid alleen maar extra onderstreept.

Opdat de doden en de levenden bijeen blijven en de overledenen liefdevol worden herdacht, moet in deze roman zelfs de objectieve waarheid wijken. Ze wordt (op het kerkhof) verward door het verplaatsen van de grafstenen en (in het archief) herschreven door vervalste systeemkaarten. Ook in Het beleg van Lissabon heeft Saramago al met herschrijving van de geschiedenis geëxperimenteerd. Hij liet de drukproef-corrector Raimondo Silva de historie veranderen door een kleine ingreep in het geschiedenisboek dat hij onder handen had, en ook daarbij was liefde – voor de mensheid èn voor een concrete persoon – uiteindelijk de inzet.

Dat is een indringende levensles, maar ze is niet zonder dubieuze kanten. Want hoe overtuigend die oproep tot liefde en verbondenheid ook klinken mag, de manieren waarop de geschiedenis in de afgelopen eeuw uit naam van diezelfde liefde herschreven is, rechtvaardigen de nodige huiver. Er kleeft bovendien iets neerslachtigs aan de gedachte dat liefde alleen op clandestiene wijze en door middel van bedrog zeker gesteld kan worden. Dan krijgt het humanisme, dat in Saramago's boeken zo prominent aanwezig is en dat in deze roman de bedrieglijke gestalte krijgt van ontluikende liefde, plotseling een donkere schaduw. Na De stad der blinden, waarin hij het menselijk verkeer zoveel genadelozer tekende maar tenslotte ook ruimte liet voor een nogal rozige verlossing, komt Alle namen als een ingehouden ontnuchtering, waarvan de betekenis zich langzaam prijsgeeft.

José Saramago: Alle namen. Uit het Portugees vertaald door Maartje de Kort. Meulenhoff, 224 blz. ƒ36,50