De geprivatiseerde mens

De deelnemers aan de discussie over de invloed van de vrije markt op de kunst en cultuur hebben het niet over de kwestie, vindt Rudy Kousbroek. Over `de orkaan van flauwekul die over ons heen loeit'.

Er zijn in deze discussie nu vier uitvoerige reacties verschenen en alle vier houden zich bezig met bijkomstigheden; niet één ervan gaat in op de eigenlijke kwestie.

Wat was die kwestie? In de woorden van Hofland: `De vrije markt is de grootste vijand van de literatuur, de kunsten en het onafhankelijke denken.' Het geloof in de heilzaamheid van het marktmechanisme, schreef ik, is het obscurantisme van deze tijd. Een verder kenmerk, ook door Hofland genoemd, is dat deze vrije markt als het er op aan komt niet de beschermer maar de natuurlijke vijand is van het vrije woord.

Er kwamen dus die vier reacties – een van een psychopaat, een van een dominee, een van een kruidenier en een van een clown – en geen ervan hield zich in feite bezig met het bovengenoemde onderwerp. Drie leken geschreven of ze een persoonlijke rekening met mij hadden te vereffenen, en de feitelijke inzet was steeds mijn evocatie van Amerika als de Grote Satan, naar de profetische woorden van Ayatollah Khomeiny.

Nu bevatte dat ook inderdaad een element van pesterij, het is dus te verwachten dat daarop gereageerd wordt, maar voor de gekozen letterlijke interpretatie van mijn woorden voel ik mij toch niet niet verantwoordelijk. Wat ik over Amerika zei verschilt niet van wat Gore Vidal of Tom Wolfe over de VS te berde brengen (hoogstens was ik wat milder van toon) en geen zinnig mens komt erbij zulke schrijvers van anti-Amerikanisme te beschuldigen.

Wat ook intrigeert is de gretigheid waarmee mijn belagers hun commentaren hebben aangeboden, alsof zij zich wilden rechtvaardigen – ik denk hun eigen betrekkingen met het land van de Grote Satan. Vandaar ook die ijver om mij te verketteren en vol te houden dat er helemaal geen sprake was van ironie (`geef dat nou toe, want dan kan ik er zo mooi op reageren') – en vervolgens op zoek te gaan naar de ware redenen van mijn veronderstelde Amerikanofobie. De onbetwiste kampioen daarbij was Theo van Gogh, die er de diepere drijfveren van blootlegt: het feit dat ik 30 jaar lang met een Amerikaanse getrouwd ben geweest. Eigenlijk heeft het iets vertederends - een blik in een heel ongecompliceerd brein: alles heeft een reden, zo zit de wereld in elkaar.

De zegeningen van het marktmechanisme. Wie nog mocht betwijfelen dat het geloof in dat mechanisme inderdaad het obscurantisme van onze tijd is, kan niet beter doen dan de uitspraken volgen van Annemarie Jorritsma, minister van Economische Zaken.

ziehier hoe Jorritsma partij heeft gekozen in het streven van de supermarktketens om tussen de chips en de waspoeders ook bestsellers te mogen verkopen – het drama van de zogenaamde `vaste boekenprijzen' (een ongelukkige benaming die verbergt waar het om gaat: pogingen zich de lucratieve verkoop van bestsellers toe te eigenen, zonder mee te hoeven betalen aan de minder winstgevende culturele lasten van het boekenbedrijf). De formule die de minister ten aanzien van de uitgevers hanteerde was dat zij `gewoon onder de tucht van de markt dienen te opereren'.

Dezelfde Jorritsma in Elsevier: ,,In de gezondheidszorg, in het onderwijs, in de sociale zekerheid, alom is het liberaliseringsproces in volle gang. Mensen willen zelf verantwoordelijk zijn. Na de privatisering van de markt volgt de privatisering van de mens..'' (interview, 16-12).

De tucht van de markt! De privatisering van de mens! Het is duidelijk dat zulke woorden een magische, dronken makende klank hebben voor mensen die de market forces in de bol zijn geslagen. Een begeleidend verschijnsel is dat zij gewoonlijk allerlei wonderen verwachten van het `wereldwijde Internet' en geloven in een soort bevrijding door `the electronic highway' en `the global village'.

De Winter wijdt een lange beschouwing aan iets dat hij `het dorpsplein' noemt, een soort magische plek waar ,,de gewone man, niet meer gebonden aan zijn vroegere, meestal door professie en confessie bepaalde plek in de samenleving, in staat gesteld door hoogconjunctuur, vrije tijd en digitale technieken, volop mee kan kakelen met de intellectuele elite''.

Zelfs als dat waar is, so what? Wat is de conclusie? Wat is de relatie met de market forces als zegening voor literatuur, kennis en kunst? Het is de wereld gezien door de ogen van de commercie; dat hele beeld van het dorpsplein met `de nieuwe gewone man die weet dat gecultiveerde beulen tot moord in staat waren terwijl ze naar Beethoven en Mozart luisterden' is geëxalteerd en vals, modieus gewauwel, blijkbaar bedoeld als een soort alibi voor die innig gekoesterde tucht van het marktmechanisme. Je zou zulke praatjes verwachten van een winkelier die werkelijk geen idee heeft dat er verschil is tussen literatuur en wasmiddelen.

De aard van dit verschil werd onlangs nog eens heel simpel en duidelijk onder woorden gebracht door Maarten 't Hart; hij schreef: ,,Als de vaste boekenprijs afgeschaft wordt zou ik daar persoonlijk waarschijnlijk weinig last van hebben. Er is echter ook een tijd geweest, vanaf 1971 tot 1978, dat mijn werk nauwelijks verkocht werd. Was toen de vaste boekenprijs reeds afgeschaft geweest, dan had geen enkele uitgever het risico genomen om zeven jaar lang de verliesgevende boeken van Maarten 't Hart uit te geven. Dan was er, kortom, helemaal geen schrijver Maarten 't Hart geweest.''

Snedige opmerkingen zijn hier niet moeilijk, maar het principe dat hiermee geïllustreerd wordt kan een kind begrijpen, het is wat de vrije marktpenoze stelselmatig onder het kleed probeert te vegen: dat het gevolg een verarming is, ook al valt niet aan te wijzen wat er is verdwenen. Het dorpsplein heeft er geen weet van, dus er ontbreekt niets.

In de versie van De Winter wordt dat: ,,Kousbroek en Hofland zijn in de veelheid van openbare stemmen niet meer in staat in de kwantiteit kwaliteit te herkennen.'' Zo zit dat dus op het dorpsplein: waar zit de kwaliteit? Die zit in de kwantiteit, maar dat kun je alleen maar ontdekken als je jong bent: ,,Grunberg overdreef het natuurlijk, maar hardhorendheid komt met de leeftijd.''

Hiermee zijn we bij het thema dat als een gemaskerde dief door deze hele discussie sluipt: `jeugd'. Het is hoog tijd om daarover een paar eenvoudige dingen te zeggen: jong zijn is aantrekkelijker dan oud, maar dat het oordeelsvermogen op jeugdige leeftijd ook beter is volgt daar niet uit. In de orkaan van flauwekul die over ons heen loeit is het goed om in de gaten te houden dat `jeugd' eerder minder vermogen tot onderscheid bezit (voor ironie alleen al), intoleranter is en bovendien beheerst door het vreugdeloze thema dat in alle literatuur over jongeren beschreven wordt: `jongeren hebben een sterke behoefte om ergens bij te horen', vooral bij iets dat macht en prestige vertegenwoordigt.

Zoals Amerika. Vandaar de Nikes en de baseballpetjes. Het opmerkelijke is dat wij de neiging hebben vooral de slechte dingen van Amerika over te nemen, zoals de Hell's Angels, en vaak ook nog in de veronderstelling dat het verbeteringen zijn, zoals de marktkrachtencultus en de privatisering.

In het CS van vorige week stond behalve het proza van Theo van Gogh ook een boeiend artikel over het Museum of Modern Art. Het verbluffende van dat museum is de wijze waarop het gefinancierd wordt en het feit dat de betrokkenen zich gedragen of zij bij de Tijdgeest in dienst zijn. Dat zouden wij ook wel willen maar we kunnen het niet.

Het is fascinerend te zien hoe zulke instellingen functioneren, hoe het allemaal drijft op fondsenwerving, op sponsors die telkens opnieuw moeten worden gevonden en overgehaald; de marktkrachten in de gedaante van een vanity fair: de hele organisatie is een onderonsje van `super-rijken', een kolossale, prehistorische en opvallend omslachtige constructie, en uiteindelijk toch ook weer geworteld in een soort bestsellercultuur.

Ik moet toegeven dat ik dan denk: belasten, dat gespuis, en met de opbrengsten goed uitgedachte onafhankelijke musea financieren, dat behoort tot de plichten van een beschaafde staat. Maar helaas, als je dan denkt aan een ingebeelde Hansworst als staatssecretaris Van der Ploeg krijg je ook weer zin om je op te knopen. Ik vrees dat wij er op een of andere manier in geslaagd zijn een systeem te ontwikkelen dat alle slechte eigenschappen in zich verenigt.

Het is waar dat Amerikanen, zoals ik Gore Vidal nog onlangs voor de radio hoorde opmerken, toch al buitensporig hoge belastingen betalen. Jawel Europeanen, zei hij, jullie betalen ook wel veel, maar je krijgt er tenminste ook wat voor terug, in de vorm van ziekteverzekeringen en wat dies meer zij. In Amerika ontbreekt dat vrijwel. Daar ergens wringt op een fundamentele manier de schoen.

De zwakte van de Amerikanen is dat ze rotsvast in de goedheid van de rijken geloven. Dat is al naïef wanneer het gaat over het financieren van cultuur, maar hoe de zaken er werkelijk voorstaan blijkt zodra het gaat over het financieren van dingen die tegen hun onmiddellijke belangen ingaan, zoals de bestrijding van de CO2-uitstoot (denk aan de recente klimaatconferentie). En dan hebben we het nog niet eens gehad over de farmaceutische industrie.

In het optimistische gekwek van Van Gogh en De Winter ontbreken kwesties als deze totaal. Wel flauwiteiten over de superioriteit van Amerika over Afghanistan en nog zo wat, maar je kunt niet op alles antwoorden, ik laat het hier nu maar bij. Er is nog één ding waar ik wat over wilde zeggen, omdat ik mij daar meer dan gemiddeld aan ergerde, en dat is de passage waarin Theo van Gogh beschrijft hoe hij jojo's verkocht op de hoek van Madison Square Garden, iets dat hij kennelijk als bijzonder kranig beschouwt. Wat hij niet merkt – waar hij doof voor is – is dat dat het geijkte kletsverhaal van alle omhooggevallen zittenblijvers is. ,,Zo ben ik begonnen en dat bewijst dat het een heel goed systeem was, want kijk maar eens hoe geweldig ik nu ben.'' Hoe vaak heb ik dat al aan moeten horen, vooral in verband met lijfstraffen. 'Een flink pak slaag op zijn tijd, daar word je sterk van, kijk maar naar mij'. En wat zie je, als je dan kijkt? De geprivatiseerde mens. Een kop gemarkeerd door de market forces.