De familie Koe

Natuurlijk bevat de onderkast ook een afdeling `boerderij'. Naast algemene werken als Georg Stehli's Verzamelen en prepareren van dieren (1959) prijken er boeken als Hans Dieter Dannenbergs Schwein haben. Historisches und Histörchen vom Schwein (1990), W.G. Schimmels 868 pagina's tellende Handleiding tot de paardenkennis (1895) en Gail Damerows The Chicken Health Book (1994). Een kleine excursie door de koestal in de onderkast doet het oog vallen op Esther Meeks La Vache Curieuse (1961), of L.V. Bartels De onmisbare: de koe en haar invloed op de mens (1973). Er zijn boeken te vinden die de dienstbaarheid van het huisrund onderstrepen, bijvoorbeeld Marie Aimée Méraville's La vache, cette noble servante (1948), maar ook vinden we er belligerente titels als Daniel Lusks The Cow Wars (1995), Giles Tippette's The Trojan Cow (1971) en James Porters Doctor, Spare My Cow! (1956). Het luchtiger genre is vertegenwoordigd door Erle Stanley Gardner (The Case of The Musical Cow, 1955), Bredero (Klucht van de koe) of Josh Metzler (Die Lachende Kuh, 1954). En voor de ontstegen waarheid omtrent het huisrund verschenen tenslotte K. Schippers' De waarheid als koe (1977) en Roel van Duyns De waarheid is een koe. Aantekeningen van een kleine boer (1982).

In 1995 verscheen het magnum opus op het gebied van de koe, Marleen Felius' achthonderdvijfentwintig bladzijden tellende Cattlebreeds, an encyclopaedia. Van alle rundveerassen ter wereld had Felius gegevens opgenomen, heel bijzonder daarbij is dat ze alle specimina eigenhandig had getekend. Een waar kunststuk. Maar hoe welwillend ook onze belangstelling, na zeshonderd pagina's voelt men zijn geestesgaven toch wijken. Gelukkig is er nu naast genoemde `dikke Felius' ook een `ingedikte Felius' verschenen. Nog altijd 383 pagina's, maar iets mogen we ons voor de koe beslist ook wel aan moeite getroosten.

Ik heb het aantal runderrassen in deze Gids Rundvee. Rassen van de wereld niet geteld, maar het zijn er zoveel dat we Felius' classificatie achterin goed kunnen gebruiken. Ik zou daar graag een beeld van geven, maar ik verdwaalde onmiddellijk in het bos van alle runderfamilie-stambomen, terwijl Felius' schema toch heel precies en overzichtelijk is. Misschien komt dat door de zangerige rijkdom van de koeiennamen. Zo vond ik op de pagina van de Kort- en Breedkoppige Hooglandse rassen van West- en Midden-Europa ondersoorten als de Saosnoise, de Wittgensteiner, het Sudetenvee, de Valdostana pezzati nero-castanti, de Transilvaanse Pinzgauer, het Sudsteirisch Kärtnerisches Landschlag en de Jochberger Hummel. Je dwaalt er bij weg, heel even, om dan meteen die Transilvaner Pinzgauer op te zoeken. Het blijkt een in de 19de eeuw uit bergvee ontwikkeld, klein melk/werk/vleestype te zijn, regionaal van verspreiding, donkerbruin van kleur met een witte rug, inzichtelijk en artistiek begeleid door een Felius-illustratie. Heel mooi.

Maar de mens zoekt de koe die hij kent, ik ben tussen Fries zwartbont stamboek opgegroeid. Nu had ik mijn bekende koeienbeeld via één van de drie registers in de Felius-rundergids kunnen opzoeken, maar ik besloot dat bladerend te doen. In naslagwerken bladeren leidt immers altijd tot vondsten van zaken, waarvan men niet wist die te zoeken.

De eerste zwartbonte waar ik op stuitte was de aulietinskaya, een Kazachstaanse nicht. De baoulé uit was ook zwartbont, maar had niets met Friesland te maken. De morbihannais uit Bretagne had te lange hoorns, hetzelfde geldt voor de Italiaanse burlina, waar Felius bovendien over meldt dat `het sterk is achteruitgegaan door wegkruising met de frisona'. De Russische tsentralnaya chernopestraya begon er op te lijken vond ik, de Chinese pin-chou was ook niet slecht, de eesti mustakirju uit Estland kwam in de buurt van de koe die ik kende.

Toen viel mijn oog op een Felius' artists impression van twee elkaar wezensvreemde runderen in de Egyptische Dachla oase, een Friese koe en een bruine Egyptische stier. De een onbereikbaar voor de ander weliswaar, ze zitten beide aan een touw, maar de koe heeft de stier haar achterste al toegewend en als je goed kijkt, zie je achter de stam van ene boom die Felius in haar aquarel neerzette een koeherdertje, dat zo dadelijk het touw van de stier gaat losmaken. Het resultaat van die daad staat boven aan de pagina afgebeeld: de khalit. Duidelijker demonstratie van het verval van een ras is nauwelijks denkbaar, een volstrekt mislukte kruising, geen gezicht: een uitgeteerd, ongetwijfeld onder de verzengende ploert in de Egyptische zandhemel de hele dag klaaglijk loeiend misbaksel, te hoog op de bidsprinkhaanpoten, de kop van een zenuwlijer. En de melkafdeling dan? Afdeling tiny tits, om een term van de sex-sites te gebruiken.

`Als dat de Joris Driepintertjes van het Land van de Nijl moeten voeden', zuchtte ik, `dan wordt het nooit wat met Egypte'.

Het maakt niet uit waar boeken over gaan, op de raarste momenten roepen ze een gevoel bij de lezer op. Ik heb gejuicht bij Marleen Felius' teken- en beschrijvingskunst, tranen van ontroering hier en daar (want ik vond de koe van mijn jeugd uiteindelijk óók terug).

Van de blinde woede vanwege fokverval heb ik óók getuigd.

Marleen Felius: Gids Rundvee. Rassen van de wereld.

THOTH, 381 blz. ƒ49,50

    • Atte Jongstra