Bijstand

Toelichting:

De Algemene bijstandswet kent landelijke normbedragen voor mensen van 21 tot 65 jaar, voor mensen die 65 jaar of ouder zijn, voor gehuwden of ongehuwd samenwonenden, alleenstaande ouders en alleenstaanden. Voor elk van deze groepen geldt een apart bedrag. Voor gehuwden en ongehuwd samenwonenden tussen de 21 en 65 jaar is dat 100 procent van het netto minimumloon, voor alleenstaande ouders tussen de 21 en 65 jaar 70 procent en voor alleenstaanden tussen de 21 en 65 jaar 50 procent. Het uitgangspunt bij de norm voor deze categorieën alleenstaande ouders en alleenstaanden is dat de (woon)kosten met anderen kunnen worden gedeeld. Is dat niet of slechts gedeeltelijk het geval, dan kan de gemeente een toeslag geven van maximaal 20 procent van het netto minimumloon. De normbedragen voor mensen van 65 jaar of ouder zijn gelijk aan de netto AOW-bedragen. Voor hen geldt geen aparte toeslagenregeling.

De bijstandsuitkeringen, evenals de uitkeringen op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (WIK), worden per 1 januari 2001 verhoogd. Dit is deels het gevolg van de aanpassing van het wettelijk minimumloon en de sociale uitkeringen aan de ontwikkeling van de lonen, maar ook van het nieuwe belastingstelsel. Het netto bijstandsbedrag voor gehuwden en ongehuwd samenwonenden stijgt per 1 januari 2001 met 119,51 gulde per maand. Voor alleenstaanden gaat de bijstandsuitkering met 59,76 gulden per maand omhoog.

Met ingang van 1 januari 2001 hebben bepaalde categorieën bijstandsgerechtigden recht op een voorlopige teruggaaf. Deze moet door de bijstandsgerechtigde zelf worden aangevraagd.

Langdurig bijstandsgerechtigden komen vanaf 1 januari 2001 bij aanvaarding van werk in aanmerking voor een premie van 4000 gulden. Het bedrag wordt in halfjaarlijkse bedragen van 1000 gulden via de gemeente belastingvrij uitgekeerd vrij.