16 mei 1973

Niet iedereen weet het, maar tv-presentatrice Linda de Mol is ooit ook nog eens zangeres geweest. Erg lang heeft het niet geduurd, en veel succes heeft ze er niet mee gehad, maar het was wel degelijk serieus bedoeld. In 1991 had het moeten gebeuren. Henk Westbroek en Henk Temming schreven een stuk of twaalf liedjes voor haar, ze zong er een hele CD mee vol, er werd een single uitgebracht – maar om een of andere reden bleef de grote doorbraak uit. Jammer, voor haar en vooral voor het lied `Beethoven', waarmee ze toen alleen maar even mocht ruiken aan het succes: drie weken in de hitparade, hoogste notering 35.

`Beethoven' heeft een lekker hups dansant tempo in de verhalende gedeelten, en een mooie meesleep in de refreinen, en het is gebaseerd op het oeroude en nog altijd ijzersterke gegeven van de problematische bakvissenkalverliefde: hij streelde me en wilde me kussen, maar ik durfde niet te laten merken dat ik verliefd op hem was. Het gevolg was dat de leuke naamloze knul zijn heil elders ging zoeken en dat Linda zich nu, jaren later, nog steeds wel voor haar kop kan slaan. Nu rest haar alleen nog maar de spijtige terugblik.

De middelbare school en de sfeer van klas, gang, huiswerk en overhoring werden hier opgeroepen met een reeks kennisvragen. Eerste regel van het lied (waar het ook zijn weinig toepasselijke titel aan ontleent): `Was Beethoven nu doof aan zijn linker- of zijn rechteroor?' Linda is het vergeten. Tweede regel: `En welke van de twee was het die Vincent van Gogh verloor?' Ook dat weet Linda niet meer. En zo gaat het door: allerlei vragen uit de geschiedenis- en de biologieles komen voorbij en steeds moet de zangeres het antwoord schuldig blijven. Maar tegenover al deze weggezakte kennis staat één onderwerp waar zij nu nog steeds alles van weet, en dat is `die ene keer dat jij me wilde kussen, / en ik eventjes je handen voelde strelen op mijn huid.' De herinnering daaraan `staat gegrift in mijn geheugen', zingt Linda, `het gaat er nooit meer uit' en dat is dan weer `omdat me nooit iets mooier overkomen is / en omdat ik je van dag tot dag zo mis.'

Een gemiste kans is hier omgezongen tot een lied. Het is een omweglied, een tegenbeweginglied, een omgekeerd opsommingslied of hoe noem je dat: door de opsomming van allerlei onzinnige vergeten weetjes wordt de nadruk juist gelegd op die ene allerminst vergeten gebeurtenis. Door het maar steeds te hebben over wat niet van belang is (`is een zeekomkommer een soort weekdier of een waterplant?', `is stuurboord links en bakboord rechts of is het juist net omgekeerd?') wordt het belang van wat er niet meer is juist vergroot. Er schuilt iets wonderlijks in dit procédé: het zijn twee bewegingen tegelijk, verschillende kanten op, maar toch met een versterkend effect. Noem het verheldering door contrastbelichting. Het is een typisch dichterlijk procédé dat heel vaak in liederen terug te vinden is.

Neem `The Day Before You Came' van Abba, een hit uit 1982, een nog zuiverder voorbeeld van effectief verzwijgen. Het gaat bijna zes minuten lang over niets, dat wil zeggen over een volkomen voorspelbare alledaagse doordeweekse werkdag van een vrouw met een kantoorbaan. Ik moet die dag om een uur of acht de deur zijn uitgegaan, zo reconstrueert de zangeres in de eerste regel – omdat ik dat nu eenmaal altijd doe. De trein moet het station die dag op het voorgeschreven tijdstip hebben verlaten – zoals altijd. In de trein op weg naar mijn werk moet ik de ochtendkrant hebben gelezen – want dat doe ik altijd als ik in de trein op weg naar mijn werk zit. En zo wordt deze voorspelbare dag verder bezongen, van uur tot uur, in een rustig pruttelend ritme zonder enige climax. `I must have lit my seventh cigarette / at half past two': van zulke wetmatigheden en vaste rituelen hangt dit leven en dit lied aan elkaar, van 's ochtends acht tot 's avonds om ongeveer kwart over tien, als zij naar bed gaat. `I need a lot of sleep / and so I like to be in bed by then' krijgen we daar dan ook nog eens als verklaring bij geleverd.

Waarom zouden we dit grijze leven moeten leren kennen? Omdat onderweg tot vier keer toe blijkt dat dit zich allemaal moet hebben afgespeeld op `the day before you came'. Over die dag zelf, die dag waarop `jij' kwam, horen we helemaal niks, maar ook hier werkt het procédé van de opsomming van het tegenovergestelde. Hoe saaier dit verslag, hoe overrompelender de verschijning van de ander geweest moet zijn. Met zijn komst moet er wel heel veel veranderd zijn, want de zangeres kan nu alleen nog maar met de grootste moeite haar vroegere leven reconstrueren, alsof het om het leven van een ander gaat. Het mooie is dat dit climaxloze pruttelnummer door het omkeringsprocédé wel degelijk gaat spreken: iedere nieuwe regel die weer iets meedeelt over de grijze regelmaat, de monotonie en de zinloosheid van het vroegere bestaan, zegt in feite iets over haar huidige toestand van verwarring en geluk.

Met eenzelfde mengeling van verwondering en lichte vervreemding lijkt Wislawa Szymborska in haar gedicht 16 mei 1973 te willen reconstrueren wat zij op die bewuste dag precies deed. Het is, zo zegt ze in het begin, `een van de vele data / die me niets meer zeggen.'. En: `waar ik die dag ben geweest, / wat ik deed – ik weet het niet.' Toch is wel zeker dat zij die dag geleefd moet hebben, en dus ook geademd, en gegeten, en gelopen. `Van mijn vingers moeten sporen / op de deurknoppen zijn achtergebleven.' Ze moet toch iets aan hebben gehad die dag – maar wat? Ze moet door enkele mensen gezien zijn – maar door wie en hoe? Allengs beginnen we nieuwsgierig te worden naar een toedracht. Er zal wel iets met deze dag, of deze datum, aan de hand zijn. En als ons dat in de loop van negenendertig prozaïsch pratende regels niet onthuld wordt, dan zijn we bereid te wachten tot de clou, de onthulling, de grap of de uitleg in de laatste, veertigste regel – maar ook in die slotregel blijft het antwoord achterwege. Geen enkel beeld, geen enkele herinnering, geen enkele seconde is bewaard gebleven. We blijven net als de dichteres zelf met lege handen achter, met een leeg gedicht dat maar niet van de grond komt, over een volkomen willekeurige blanco dag, waar helemaal niets van is blijven hangen.

Bij Linda de Mol en Abba het beproefde liedprocédé: de nadruk op het vergeten van het ene roept des te sterker de herinnering aan het andere op. Het procédé van Szymborska is verrassender – en ook onthutsender: door de nadruk op het vergeten wordt alleen maar de vergetelheid benadrukt. De dichteres zit erbij en kijkt ernaar, enigszins onthand. Zonder een spoor na te laten blijkt de 16de mei 1973 te zijn heengevlogen, als een schaduw, net als zoveel andere uren, dagen, maanden en jaren.