Sponsoring is uitverkoop van onderwijs

Het Amsterdamse VVD-raadslid Frits Huffnagel betoogde in deze krant van 18 december dat sponsoring van onderwijs goed is voor zowel scholen als bedrijven. Zijn lofzang op verdergaande bedrijfsinvloed binnen het onderwijs vraagt om een weerlegging.

Huffnagel is van mening dat sponsoring van scholen geen kwaad kan vanwege het sponsorconvenant dat door toenmalig staatssecretaris van onderwijs Tineke Netelenbos is ondertekend. Deze gedragscode zou ervoor garant staan dat bedrijven scholen niet teveel kunnen beïnvloeden. Maar dat het convenant allesbehalve garanties biedt, blijkt uit de evaluatie waarin staat dat eenderde van de onderzochte basisscholen sponsoring belangrijk vindt voor het primaire onderwijsproces, zoals lesgeven en huisvesting, terwijl dat volgens het convenant niet is toegestaan. Bovendien werd duidelijk dat slechts twintig procent van de scholen het convenant gebruikt als handleiding en dat eenderde van de scholen de ouders niet informeert over de sponsoractiviteiten.

Dat Huffnagel het convenant zelf ook niet al te serieus neemt, blijkt wanneer hij voorstelt om bedrijven mee te laten betalen aan computers, excursies en de uitbreiding van het schoolgebouw. Ter rechtvaardiging van dergelijke vergaande vormen van sponsoring roemt hij het maatschappelijk verantwoord ondernemerschap en noemt hij de behoefte aan een goed opgeleide beroepsbevolking. Ik heb zelden zo'n naïeve redenering gehoord.

Huffnagel is een wolf in schaapskleren als hij zegt dat onderwijs en bedrijfsleven elkaar nodig hebben om `tot optimale resultaten te komen'. Hij bedoelt in feite het beroepsonderwijs waarvan de leerlingen stage lopen of via duale opleidingen al aan de slag kunnen in het bedrijf. Dat is echter geen sponsoring maar samenwerking. Wie spreekt over sponsoring, heeft het vooral over reclame voor een bedrijf, niet alleen in het beroepsonderwijs, maar ook in het basis- en vooral het algemeen vormend voortgezet onderwijs.

Ik heb zes fundamentele bezwaren tegen sponsoring van scholen. Ten eerste is sponsoring door bedrijven voor de overheid een reden om zich financieel afzijdig te houden. Onderwijsminister Hermans (VVD) zei niet voor niets in deze krant dat hij `graag' zou willen dat KPN álle scholen van computers zou voorzien. Het is de vraag wat KPN doet als het economisch even niet meezit. Blijft het bedrijf dan met evenveel gemak de kostbare voorzieningen treffen, of gaat de regering dan weer over op de financiering van de computers? Daar heb ik mijn twijfels over en dan ontstaat direct een probleem. Immers, nu al schiet de rijksbekostiging fors tekort en dat leidt tot het tweede bezwaar: sponsoring bedreigt de continuïteit van het onderwijs.

Het derde bezwaar betreft de onafhankelijkheid van de school. Bedrijven zullen er alles aan doen om hun naam via sponsoractiviteiten de school binnen te loodsen. IT-gigant Cisco leidt docenten op en biedt een Amsterdamse school computers. Die docenten zullen het niet in hun hoofd halen leerlingen uit te leggen dat Cisco deze zaken levert in een poging de Europese markt te veroveren. Terwijl Huffnagel denkt dat sponsoring geen kwaad kan, blijkt het handhaven van de neutraliteit moeilijker dan gedacht.

Het vierde bezwaar is van pedagogische aard. Kinderen kunnen zeker tot de leeftijd van twaalf jaar niet goed onderscheid maken tussen feiten en fictie. Omdat reclame vaak gebruik maakt van overdrijving vormt sponsoring in het onderwijs een bedreiging voor de ontwikkeling van onze kinderen. Bill-boards en andere vormen van schreeuwende reclame horen niet thuis in schoolgebouwen. Nu al worden we onaanvaardbaar veel geconfronteerd met steeds indringender vormen van reclame. Scholen moeten gevrijwaard blijven van commercie.

De Verenigde Staten zijn ons altijd voor als het om vercommercialisering gaat. Daar werd een school gesponsord door Coca-Cola onder wel heel strikte voorwaarden. De school zou een aanzienlijke som geld ontvangen mits dat tot de verkoop van een bepaalde hoeveelheid colablikjes zou leiden. Toen men het afgesproken aantal niet dreigde te halen, ging de directie over tot een waar Coca-Cola-offensief. Op elke hoek werd een automaat geplaatst en drinken tijdens de les was ineens toegestaan. Iedere leerling zou gemiddeld twee blikjes cola per dag moeten drinken. Het vijfde bezwaar betreft dan ook de tegenprestatie die de sponsor per definitie zal verlangen van de school.

Het laatste bezwaar is de tweedeling in het onderwijs als gevolg van sponsoring, want niet alle scholen zijn aantrekkelijk voor sponsoring. Waarom voorziet KPN een school in het welvarende De Bilt wel van computers en scholen in de Bijlmer niet?

Ondanks het feit dat minister Hermans zegt dat de overheid garant moet staan voor de kwaliteit van goed onderwijs, vindt hij het geen enkel probleem als ouders en bedrijven zich meer gaan toeleggen op de financiering van het onderwijs.

Dat kan maar één ding betekenen. De uitverkoop van het onderwijs is definitief begonnen. Als de overheid zich steeds meer terugtrekt, is het niet ondenkbaar dat in 2010 sprake is van een scheiding tussen rijke scholen die ruimhartig gefinancierd worden, en arme scholen die rond moeten komen van een minimaal budget. `Hadden ze maar meer sponsors moeten zoeken', zal dan gezegd worden. Op termijn zal sponsoring dan ook bijdragen aan een afnemend draagvlak voor publieke financiering van het onderwijs. Dat is gezien de ruime beschikbaarheid van publieke middelen onaanvaardbaar.

Harry van Bommel is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de fractie van de SP.