Knapen en Broertjes

Voor de journalistiek heb ik altijd de grootst mogelijke bewondering gehad. Geen wonder! Mijn eigen vader was tenslotte journalist. Enkele van mijn vrienden zijn of waren journalist. Mijn Leidse leermeester, de historicus B.W. Schaper, was lange tijd journalist vóór hij hoogleraar werd. Bij mij is het precies andersom gegaan. Ik ben al heel lang hoogleraar en pas acht jaar columnist. Nu is een columnist natuurlijk nog geen journalist, maar het is toch een stapje in de goede richting.

Kenmerkend voor de journalistieke levenshouding is de kritische instelling.

`I am nothing if not critical', zal iedere rechtgeaarde journalist Shakespeare's Jago nazeggen. Daarop bestaat eigenlijk maar één uitzondering en dat is de journalistiek zelf. `Let op, journalisten kunnen heel erg slecht tegen kritiek', zei de ombudsman van de Washington Post tegen die van de Volkskrant, toen deze met zijn werk begon.

Deze afkeer van kritiek kwam een jaar geleden treffend tot uiting toen het Genootschap van Hoofdredacteuren een vergadering hield en daarvoor ook de koningin had uitgenodigd. Waarom dit genootschap bestaat, waarom het vergaderde en waarom ze daar de koningin voor hadden uitgenodigd, is mij eigenlijk nooit duidelijk geworden. Maar dat zijn ook overbodige vragen. Iedere beroepsgroep in ons land heeft een vereniging. Als die vereniging een beetje deftig is, heet zij Genootschap of Gezelschap en als ze heel deftig is zelfs Broederschap. Al die clubs vergaderen. Als het feest is doen ze dat in smoking en als het een groot feest is, vragen ze de koningin.

Zo deden ook de hoofdredacteuren eind vorig jaar onder leiding van hun voorzitter, de hoofdredacteur van de Volkskrant, Pieter Broertjes. Die vroeg de koningin om meer `openheid' en hij werd op zijn wenken bediend. De koningin zei namelijk tijdens de borrel tegen enkele van de aanwezigen dat ze vond dat de kwaliteit van de pers achteruitgaat en dat er veel fouten en slordigheden in de krant staan. Ook merkte zij, naar verluidt, op dat men soms bewust de waarheid niet vertelt. Journalisten zeggen in zo'n geval: `the story is too good to be checked'. Zij zei het anders: `De leugen regeert'.

De beklagenswaardige Broertjes moest nu kiezen tussen zijn twee rollen: die van hoofdredacteur, in welke hij om openheid had gevraagd, en die van gastheer, in welke hij vertrouwelijkheid had beloofd. Hij koos voor het laatste, wat hem sierde. Want natuurlijk had zijn roep om vertrouwelijkheid geen succes en viel de hoon van zijn collega's hem ten deel. De koninklijke uitspraken werden in de pers breed uitgemeten en krachtig bestreden. De reacties vormden een treffende illustratie van een uitspraak die de Zuid-Afrikaanse jurist en vrijheidsstrijder Albie Sachs, die in diezelfde tijd op bezoek was in Nederland, in een gesprek met de Volkskrant deed: ,,Kranten vinden het soms niet prettig dat ze zelf onderwerp van kritiek worden. Maar dat hoort bij een open debat.'' Zo is het en daarom kom ik er, nu de gemoederen wat bedaard zijn, nog eens op terug.

De opvallendste der vorstelijke uitspraken was ongetwijfeld: `De leugen regeert'. Al was het niet meer dan een boutade, toch heeft deze opmerking veruit de meeste aandacht getrokken. Het is inmiddels een staande uitdrukking geworden. Er is zelfs een televisierubriek naar genoemd. De organisatoren van die rubriek vertelden onlangs iets over hun ervaringen. Hun conclusie was dat `journalisten moeilijk tegen kritiek kunnen' en dat `op zelfreflectie in de journalistiek een taboe rust'.

Dat de kwaliteit van de pers achteruitgaat, is geen boutade, maar een op persoonlijke indrukken gebaseerde observatie. Frank van Vree zei in zijn Rotterdamse oratie precies het omgekeerde, namelijk dat `de kwaliteit van de dagbladpers de laatste decennia zeker niet is afgenomen'. Ook dat was een op persoonlijke indrukken gebaseerde observatie, want hij gaf geen bewijzen of argumenten voor zijn stelling en dat is voor een professorale oratie natuurlijk erger dan voor een cocktailconversatie. In beide gevallen geldt echter dat men zonder zulke generalisaties moeilijk uit de voeten kan. De kranten staan dan ook vol met zulk soort uitspraken. Zo lees je vaak dat de Nederlandse universiteiten lijden aan vergaderziekte en dat Nederlandse historici niet kunnen schrijven. Dat zijn niet eens meer grove generalisaties. Het is klinkklare nonsens. Ik kan zo tien Nederlandse historici noemen die voortreffelijk schrijven en met grote regelmaat publiceren. Er zijn er zelfs wier boeken in vele talen zijn vertaald en in buitenlandse kwaliteitskranten als Le Monde en The New York Times uitvoerig en lovend zijn besproken. En wat die `vergaderziekte' betreft: ik ben zelf vijftien jaar voorzitter geweest van een vakgroep. Al die vijftien jaar vergaderden wij één keer per jaar, om vijf uur 's middags, en nooit waren wij later dan om zes uur in het café. So far for `vergaderziekte'.

Dat in de kranten veel fouten en slordigheden voorkomen ten slotte, is iets dat iedereen constateert als het over zijn eigen werk of vakgebied gaat. Zo merkte Karel van het Reve al langgeleden op: ,,In een Nederlands bericht over Rusland staat altijd wel een verkeerd gespelde naam, een verkeerd jaartal, een feit onjuist weergegeven, een vertaalfout.'' En hij constateerde: ,,Als je er iets van zegt word je voor een pietlut gehouden.'' Dit is een ervaring die velen met hem delen. Van het Reve merkte ook op dat dit bij Amerikaanse kranten niet het geval is. Daar ben ik niet zo zeker van. Ik heb te vaak de wielrenner Joop Zoetemelk verbasterd gezien tot Zoetelmek, wat meer aan de Azteken dan aan Rijpwetering doet denken, en premier Wim Kok zag ik eens aangeduid als Kim Wok, wat de geslaagde timmermanszoon uit Bergambacht omtoverde in een wel uiterst succesvolle allochtoon.

Veel van de koninklijke en Reviaanse observaties kunnen we overigens ook bij professionele kenners van het journalistieke bedrijf vinden. Peter van Dijk, ex-hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad, zei bijvoorbeeld niet zo lang geleden: ,,Er is iets zorgelijks aan de hand met de Nederlandse journalistiek [...]'' namelijk dat journalisten ,,slonzig met de feiten omgaan''.

Ik denk persoonlijk dat dit allemaal nogal meevalt, al kan het nooit kwaad om te blijven aandringen op zorgvuldigheid. Wel lijkt het mij goed om de Ferme-Jongens-Stoere-Knapenhouding die de journalistiek kenmerkt ook uit te strekken tot de journalistiek zelf. De journalist die niet tegen kritiek kan, moet zich maar troosten met de gedachte dat hij altijd nog iets anders kan gaan doen. Voor hem geldt immers het bekende woord: `Le journalisme mène à tout – à condition d'en sortir'. Dat geldt overigens ook voor deze columnist, want dit is mijn laatste column op deze plaats in deze krant.

Dit is de laatste column van H.L. Wesseling. Een selectie uit zijn columns van de laatste jaren zal volgende maand onder de titel Gedane Zaken verschijnen bij Prometheus/Bert Bakker.