Ik wil mijn atheïst zelf begraven

Vasilis Rafaïlídis, een van de meest uitgesproken atheïsten van Griekenland, is dezer dagen gestorven, 66 jaar oud. Hij was een invloedrijk filmcriticus, maar verscheen de laatste tijd steeds vaker in panels op de televisie om zijn tegenstem te laten horen tegen de vloed van religieuze en nationalistische donderpreken die in Griekenland de laatste tijd gangbaar zijn geworden wegens de kwestie van de vermelding van de religie op het nieuwe identiteitsbewijs.

Als tegenvoeter had hij dikwijls Vader Jórgos Metallinós, een belezen priester die door de Kerkelijke Synode is belast met de strijd tegen de sekten – het atheïsme geldt in Griekenland ook als sekte – maar die daarbij fanatisme en stemverheffing uit de weg gaat. Ze gingen vriendschappelijk met elkaar om, maar toch was de verbazing algemeen toen bleek dat uitgerekend hij de kerkelijke begrafenisdienst had geleid en daarbij als enige het woord had gevoerd.

Om te beginnen was het natuurlijk vreemd dat Griekenlands bekendste atheïst door priesters werd begraven. Maar zonder kerkelijk vertoon is in Griekenland een begrafenis alleen theoretisch mogelijk. Na lange strijd is in de jaren '80 het burgerlijk huwelijk als mogelijkheid ingevoerd, maar de toepassing daarvan blijft tot enkele procenten beperkt. Een `burgerlijke begrafenis' — daar hoor je eigenlijk nooit van. Zij die dat nastreven combineren het vaak met crematie, en die is in Griekenland helemáál onmogelijk. Daarvoor moet je – en dat doen honderden per jaar – naar het buitenland.

In enkele kranten weerklinken nu protesten dat Metallinós zijn rede heeft gehouden als een soort usurpator, en als een goedkope epiloog na alle twistgesprekken, een monoloog waarbij Rafaïlídes niet meer in de rede kon vallen.

Het scherpst is Nikos Dimou, schrijver van het boekje Het ongeluk, Griek te zijn in zijn wekelijkse rubriek die hij nu al twee jaar in de Ethnos mag schrijven. Hij spreekt van een `misdaad' gepleegd door de `verpersoonlijking van alles wat de dode had bevochten, een nationaal-centrische priester'. Zijn enige hoop is dat Angelópoulos deze groteske scène nog eens zal weten in te passen in een van zijn volgende films.

Metallinós verdedigt zich met eraan te herinneren dat hij de begrafenis had geleid op verzoek van de naast familie, en dat hij dat ook met graagte had gedaan na alle contacten die ze op televisie hadden gehad. De aria uit de Matthaeus Passion Ik wil mijn Jezus zelf begraven komt in de gedachte. Misschien zag hij in Rafaïlídes dialectisch de man die hem had geïnspireerd tot juist de gloeiendste uitspraken op de panels.

De hele affaire roept nog een andere vraag op. Hoeveel recht heeft de familie op de opzet van een begrafenis, en hoeveel de dode? Het is duidelijk dat Rafaïlídes niet heeft aangedrongen op een onkerkelijke begrafenis, al zou hij zich waarschijnlijk wel verkneukeld hebben bij het vooruitzicht op zulk een voor Griekenland unieke stunt. Wellicht heeft hij er zich – hij overleed na een plotselinge ziekte van vier dagen – in het geheel niet mee beziggehouden.

Maar hoe dan ook – de dode merkt niets van zijn begrafenis, de familie alles. Die zou dieptreurig naar huis zijn gegaan na een kale plechtigheid waarbij de laatste kans voor de overledene nog iets goeds te doen, zou zijn gemist.

Essentieel is dat Metallinós in zijn toespraak wel uitdrukkelijk vermeldde dat hij een atheïst begroef. Had hij dit nagelaten, dan zou er sprake zijn geweest van hypocrisie.