Huize Nederland

Weinig woorden klinken zo statisch als `wonen'. Maar zet een eeuw Nederlandse interieurs op een rij en zie hoe snel `wonen' verandert. Twee boeken en een tentoonstelling in Amsterdam bieden zicht op voorbije en komende ontwikkelingen.

`Zo'n stoel hadden wij vroeger ook thuis!''

,,Gadverdamme, moet je die zitkuil zien!''

,,Nee zeg, hoe kónden we dat oranje met bruin ooit mooi vinden!'' Kreten van afschuw en herkenning strijden om voorrang bij de bezoekers van de tentoonstelling `Honderd jaar Wonen in Nederland' in de Beurs van Berlage in Amsterdam.

De herinneringen, en daarmee de emoties, liggen voor het oprapen in deze lieux de mémoires, waar de rol van madeleinekoekje met evenveel gemak kan worden vervuld door een worteldoek met koperen beesten erop, een eet-bar met hoge krukken of een perkamenten lampekap met franje.

De expositie is een initiatief van de interieurarchitecten Marion Bergmann en Frank Pluym, met als aanleiding het honderdjarig bestaan van de Algemene Woningwet. ,,Tentoonstellingen en publicaties over het Hollandse interieur zijn altijd gericht op de grote namen en de mooie voorwerpen'', zegt Pluym. ,,Terwijl die zaak van een kleine elite zijn. Wij wilden laten zien hoe het deze eeuw bij gewone Nederlanders achter de gevel eruit zag.''

In tien stijlkamers, steeds per twee decennia, laten zij beweging en tegenbeweging zien. Zo staat een deftige woning in Amsterdam-Zuid uit begin van de eeuw tegenover een arbeiderswoning uit dezelfde tijd met bedstedes en kapotgetrokken behang. Een `bolpoten'-interieur à la De avonden uit de periode 1940-'60 staat tegenover het dogma van Goed Wonen: rauhfaserbehang, zwart marmoleum (hygiënisch!) en het reuzehandige doorgeefluik tussen keuken en eetkamer. Via het esthetische Gispen-interieur passeren we de doorzonwoning, het Gooise-trutten-interieur met te grote crapauds met bloemetjesbekleding, om te eindigen bij het `pomo'-interieur met een bovenmaatse ijskast en het nieuwe damesurinoir van Sphinx.

De tentoonstelling confronteert ons ook, stilzwijgend, met de erfenis van het wegstervende socialisme. De Woningwet was de bakermat van wat decennialang volkshuisvesting heette. Die maakte een eind aan de erbarmelijke omstandigheden waarin de arbeiders in de steden leefden. Lekkende kelders, alkoofwoningen zonder raam en stegen waar de `Boldoot'-kar langskwam om de strontemmers in te legen. De elite had belang bij een goede huisvesting van het volk, gezien de gevaren van tyfus en cholera. Met de wet in de hand konden gemeenten woningverbetering afdwingen en nieuwbouw voorfinancieren. De invloed op vooral de steden is niet te overschatten: een derde van de zeseneenhalf miljoen woningen in Nederland is gebouwd volgens de bepalingen van deze wet. Heeft de ooit zo nobele Woningwet haar beste tijd gehad?

In tijden van welvaart en privatisering legt `volks' het af tegen `markt'. VVD-staatssecretaris Remkes werkt aan een nieuwe wet, die in 2004 van kracht moet worden en die veel meer ruimte biedt aan marktpartijen. De steden, vooral Amsterdam, slepen de erfenis van de Woningwet als een blok aan het been mee.

Op een expositie met de titel `Woning.Wonen.Wet', op een brede loopbrug boven de stijlkamers in de Beurs, toont de Stedelijke Woningdienst aan de hand van manshoge foto's de ontwikkeling van Amsterdam, vanaf de vochtige kelders via het experiment-Betondorp en de stadsvernieuwing naar IJburg. Samensteller Joost Gasseling: ,,De hoofdstad heeft door die wet enorm veel sociale woningbouw en huurwoningen. Die zijn relatief goedkoop, maar ook klein. Tegenwoordig zijn de verhoudingen omgedraaid en bouwen we vooral koop- en duurdere huurwoningen.''

Het begeleidende boek Honderd jaar wonen – leest goed, oogt goed – gaat nog veel dieper dan de tentoonstelling in op de veranderingen in plattegronden, stoffering en gebruik van de woning. Hoezeer de woning de status van de bewoner weerspiegelde, blijkt uit begrippen die tot na de oorlog courant waren, zoals de schoolmeester-, burgemeesters- en notariswoning. Tegenwoordig hebben we het over bejaardenwoningen, studentenflats en eengezinswoningen. Behalve bij de elite kwamen begin deze eeuw aparte slaap- en badkamers niet voor; in de loop van de eeuw is de keuken gepromoveerd van spoelhok op het achterplaatsje waar nooit een vreemde kwam, tot de meest prestigieuze ruimte in huis.

In het hoofdstuk `Woonrituelen' beschrijft sociologe Irene Cieraad het fenomeen van de gang, lange tijd de verbindende schakel tussen het vrouwelijk zorgdomein binnenshuis en het mannelijk zakendomein buitenshuis. Opvallend is de sterke morele dimensie die altijd aan de woning, en het wonen, als uitdrukking van de maatschappelijke orde is toegedicht. ,,Modern wonen'', schreef architect Van Tijen in 1934, ,,is niet alleen een indeelingskwestie. Men moet ook modern (dat is beknopt, orderlijk en eenvoudig) kunnen en willen leven.''

Steeds minder arbeiderspaleisjes op driehoog-achter, steeds meer eengezinswoningen op een Vinex-locatie, boerderettes en twee-onder-één-kappers in jaren dertig-stijl. Wat komt er hierna?

Daarover gaat het vorige week verschenen boek California dreaming: Woonconcepten uit de San Francisco Bay Area, waarin Louise de Rooij van het Amsterdamse bureau De Lijn en fotograaf Brian Rose een aantal nieuwe woonformules uit de VS presenteren.

Hoewel ze weinig aandacht aan de minder gunstige kanten besteden (,,de kritiek komt vanzelf'', zegt De Rooij) is het zeer de moeite waard om kennis te nemen van ontwikkelingen waar Nederland misschien zijn voordeel mee zou kunnen doen. Wordt de toenemende invloed van de consument op zijn woning hier vooral nog met de mond beleden, in Amerika speelt de markt sneller en flexibeler in op veranderingen in de vraag. Neem het Plaza del Sol-complex voor lage inkomens, waar studenten gratis mogen wonen in ruil voor huiswerkbegeleiding voor hun buurkinderen; de ontwikkelaar zorgt voor het klaslokaal, de universiteit betaalt ze voor een paar middagen per week.

Veel nieuwe woonformules zijn in de VS gericht op de mobiele werknemer. De hotelwoning, zoals Pensione Esperanza in San Jose, biedt efficiency apartments van 25 vierkante meter aan vaak lage inkomens, met gemeenschappelijke voorzieningen als een tv-kamer met internet-aansluiting, een wasserette, een onderhoudsmedewerker, een schoonmaker, een maatschappelijk werker, een manager die in het complex woont en een balie die 24 uur per dag bezet is. De complexen met verwen-woningen bieden nog veel meer luxe, zoals business centers met computers en kopieermachine, tennisbanen, stomerij, hondenuitlaatservice, filmzaal en fitnessruimte met sauna, douches en tv.

Overigens ontwierp de architect Z. Gulden al in 1930 een gigantisch (maar nooit gebouwd) `Coöperatiehuis' voor Amsterdam, aldus de catalogus, met toen zeer ongebruikelijke voorzieningen als een crèche, speeltuinen, dakterrassen, zelfs een parkeergarage en een lopende band die vanaf de winkels beneden in het gebouw bestelde boodschappen naar de woningen bracht.

Een markt apart is die van de actieve senior, die graag met leeftijdgenoten verkeert in een sun city aan een golfbaan – als die maar op één tank benzine rijden van de stad en de kinderen ligt. In sun city Lincoln Hills kun je zelfs een korte vakantie houden om te kijken of je er een huis zou willen kopen.

Niet alle voorbeelden zijn voor Nederland nieuw. Europese steden hebben meer ervaring dan Amerikaanse met het hergebruik van pakhuizen en andere industriële gebouwen voor loft-living. Wonen op de golfbaan heeft ook hier zijn intrede gedaan, al staat er geen hek of portier bij de ingang – althans, nog niet. En ik hoop dat het niet zo ver komt dat je door extra belasting te betalen voorrang voor je kind kunt kopen op de door de ontwikkelaar gebouwde plaatselijke school, zoals in de Silver Creek Golf and Country Club. Even onwenselijk lijkt mij de situatie waarin de projectontwikkelaar zijn oudere klanten keurt op hun financiële en fysieke welzijn voordat ze worden toegelaten tot zijn lifecare facility.

Eén belangrijk verschil met Nederland is dat ontwikkelaars van een nieuwe woonwijk in de VS veel grotere investeringen vooraf moeten doen. Amerikanen kopen geen huis van tekening – Nederlanders wel, al kan bijna niemand een bouwtekening lezen –, ze willen de wijk en een modelwoning zien. Dus moeten de huizen en wegen en winkels en scholen er al staan. Nederland kan een voorbeeld nemen aan een bouwproces waar de nieuwe wijk niet alleen maar uit modder en bouwketen bestaat, maar waar al stoepen zijn, en geplaveide straten, en volwassen bomen.

De hegemonie van de markt heeft wel een architectonische keerzijde: het financiële risico is zo groot, dat de ontwikkelaars op safe spelen. Dat werkt een zekere uniformiteit in de hand, die in combinatie met de hang naar romantisch-historische stijlen een naar ons gevoel vaak kitscherig geheel oplevert. (Wat overigens evenzeer geldt voor al die namaak jaren dertig-wijken die door het hele land verrijzen...) Maar laten we ons niet al te gauw in walging afwenden: misschien, ooit, wordt ook hier de klant koning.

100 Jaar Wonen in Nederland en Wonen.Woning.Wet, t/m 4 mrt in de Beurs van Berlage, Amsterdam.

Di t/m zo, 11-17u.

Boek `Honderd jaar wonen' door Jaap Huisman, Irene Cieraad, Karin Gaillard en Rob van Engelsdorp Gastelaars,

Uitg. 010, 256 blz., ƒ49,50.

California Dreaming: tentoonstelling t/m 21 jan in het Nederlands Architectuurinstituut, Museumpark 25, Rotterdam. Di 10-21u, wo t/m za 10-17u, zo 11-17u. Boek: Woonconcepten uit de San Francisco Bay Area, NAi Uitgevers, 82 blz, ƒ34,50.