Een piepende tram

Bij vorst piept de tram niet. Dan krijst hij. Het horen van het krijsen van een verre tram op een koude, stille zondagochtend is een van de stadse genoegens. Door het beluisteren van de tram kun je de temperatuur schatten. Wat is er nou mooier dan 's ochtends, nog warm in bed, te kunnen hóren dat het een extra koude dag is? Lijn zeven trekt bij nadering eerst een razend geluidsspoor door de bodem en door muren, zodat je je oren spitst. En als er dan wanhopig gekrijs volgt, als van een roofvogel boven een bevroren en verlaten toendra, weet je: het vriest. Eigenlijk zou je moeten opstaan, maar het ligt nu extra lekker.

Verlangen dat trams niet meer piepen of krijsen, is als bomen willen kweken waarvan de blaadjes niet ritselen of afvallen. Niettemin heeft het Rotterdamse vervoerbedrijf (RET) naar aanleiding van klachten drie miljoen gulden uitgetrokken voor het probleem van de krijsende tram. Zelfs aan de TU in Delft luistert men naar het probleem. Nat houden van de rails helpt, maar is in de winter wat lastig. Het water bevriest, en dat bevordert weer het rijden van de tram niet. Een onderzoek moet aantonen of het smeren met water en vet van de wielflensen, de mantels van de wielen, soelaas biedt.

Als ik dit hoor, krijg ik een onbehagelijk gevoel. Het smeren van piepende trams... het is eerder gedaan. Ook in Rotterdam. Opeens weet ik het weer.

Het zal halverwege de jaren zeventig geweest zijn. Het gebeurde tegenover de flatwoning van de familie waar ik als kind vaak kwam. In een periode met vorst hadden buurvrouwen op de galerij er schande van gesproken: de tram piepte weer verschrikkelijk. Ze konden er 's avonds en 's ochtends vroeg niet van slapen. Nadat de ergernis een paar maal gespuid was, verzon een doortastende buurvrouw een oplossing. Ze vroeg haar man een blik afgewerkte motorolie van de zaak mee te nemen.

Midden in de nacht werd het opeens druk op de stille straat. Een lacherig groepje buurvrouwen kwam naar buiten. Met gulle hand werden de rails gesmeerd, vooral in de bocht die de meeste overlast gaf. Vereend in gemeenschapszin keerde men terug naar de flat.

Niet zo veel later die nacht werd het opnieuw ongebruikelijk druk. Nu was het de politie met zwaailichten en bukkende agenten. En er kwam een ambulance die lang bleef staan. Een motorrijder met duopassagier was in de gesmeerde bocht onderuit gegaan en tegen een geparkeerde bestelwagen gereden. De bijrijdster mankeerde weinig. De bestuurder was dood.

Het ging om Belgische motorrijders. Ze waren bezoekers. Als kind schaam je je dan voor je stad. De buurvrouwen waren erg stil.

Ik weet niet meer of het de volgende morgen ook stil bleef, toen lijn zes passeerde. Daarna is weinig meer over de tram geklaagd, dat weet ik wel.