Een paradijs voor jetsetters

Op Barbados overwinterden ooit deftige Britten met hun butlers. Nu paraderen er nieuwe rijken onder de azuurblauwe luchten van het Caraïbisch gebied.

Mensen die de hoop op een Elfstedentocht al hebben laten varen en alleen nog maar hunkeren naar een in zonlicht badende villa, kunnen afreizen naar Barbados en omgeving, in het Caraïbisch gebied. Voor sommigen is deze archipel niet meer dan een decor voor reclamefilmpjes van kokosrepen, deodorants en rum. Anderen zien in deze eilandengroep een laatste houvast voor ongestoord ontspannen op smetteloos witte stranden met immer wuivende palmbomen.

Het centrale aanvliegpunt Barbados was lange tijd de favoriete bestemming van well to do Britten die er met hun butlers overwinterden. Van het semi-literaire sfeertje dat er mede door de aanwezigheid van toneelschrijver Noel Coward hing, is weinig over. Het geluid van uitrollende golven en vogelgekwetter, spaarzaam doorbroken door een open ploppende champagnefles, heeft plaats gemaakt voor vlieggeweld, drukke Londense bankmannetjes en vermogend internetvolk. Veel van de oorspronkelijke rijken hebben dan ook hun toevlucht gezocht op een van de nabij gelegen eilanden.

Wie de hectiek van Barbados wil vermijden, kan naar de Amerikaanse Virgin Islands St. Thomas, St. John en St. Croix of snuift Engelse invloeden op bij de British Virgin Islands. Extravagante uitwas is Richard Bransons Necker Island dat voor dertig mille per dag vijfentwintig man op complete gelukzaligheid trakteert. Zuidelijker wordt de keus er niet makkelijker op met Martinique, Guadeloupe of St. Barthélemy. Nog wat meer richting evenaar liggen de West Indies, een droomdomein voor zeezeilers. Rond het centrale eiland St. Vincent ligt een krans van kleinere eilanden als Bequia, Canouan en Union Island. Geringer van omvang, maar vermaard om hun grootse onderdakmogelijkheden zijn Petit St. Vincent, Young Island en Mustique, het magisch middelpunt in deze azuurblauwe archipel. In deze enclave vol vorstelijke villas zullen sterren als Mick Jagger en Tommy Hilfiger over enkele dagen bij ruim dertig graden hun vuurwerk afsteken.

Een aardige springplank naar de diverse eilanden is Young Island, in omvang nauwelijks groter dan twee voetbalvelden. Zeker na zonsondergang zou dit resort met zijn houten cottages, zijn vele lampjes en trappen moeiteloos kunnen figureren in Disneyland. In de kamers ontbreken tv en telefoon, zulks ter bevordering van rust en romantiek. Aan de lokale autoriteiten is deze internationale aantrekkingskracht niet ontgaan: na een paar formaliteiten kan er worden getrouwd. Soms krijgt het prille geluk een storm te verduren die adequaat wordt opgevangen door de honderd man personeel: na de voorspelling van een orkaan wordt het zwembad geleegd om plaats te maken voor de roeibootjes, de strandstoelen en de parasollen. Om te voorkomen dat de kokosnoten als kogels over het eiland vliegen, haalt het personeel ze voortijdig uit de bomen.

Vanaf Young Island vertrekken er dagelijks zeiljachten met honey mooners, vooral naar Mustique. Mustique was even anoniem gebleven als zoveel andere eilandjes als de Schot Collin Tennant het in 1958 niet had gekocht. Voor het verwezenlijken van zijn droom, het bezit van een eigen eiland, vroeg de dandy zijn vader 45.000 pond. Een aardige som voor een verzameling heuvels zonder wegen, wat moerassen vol muggen en enkele vissershutjes. Zijn vader berichtte: `Full agreement if plenty of water.' Van drinkwater is nauwelijks een spoor, maar Tennant jokte er op los en kreeg zijn eiland.

Voor Mustique begon daarmee na eeuwen van ongereptheid een ongekende, maar stijlvolle metamorfose. Als bron van inkomsten tracht Tennant katoen te verbouwen, maar in 1960 doet hij een slimmere zet. In dat jaar trouwt prinses Margaret met Anthony Armstrong-Jones en Tennant vraagt de prinses of zij een ingepakt huwelijkscadeau wenst of – slightly more excentric – een stuk grond op zijn nieuwe eiland. Niet veel later meert in de baai van Mustique het koninklijke jacht Britannia af. Een paar jaar later doen de aanblik van verlaten stranden, het fantastische klimaat en de aanwezigheid van wat avontuurlijke Britten Margaret besluiten tot de bouw van haar reusachtige landhuis `Les Jolies Eaux'.

Medio jaren zestig ontmoet Tennant tijdens een diner op Kensington Palace, Patrick Lichfield, hoffotograaf en neef van Margaret. Ook de eigenaar van Queen Magazine raakt in de ban van de verhalen over het tropische eiland, dat door de aanplanting van duizenden palmbomen, de aanleg van de eerste wegen en de bouw van enkele huizen steeds geriefelijker begint te worden. Niet veel later verschijnen de eerste foto's van een zich immer in pyama-achtige outfit hullende Tennant en zijn onafscheidelijke wandelstok met zilveren handgreep. Voor de ontwikkeling van zijn eiland haalt Tennant de banden aan met een oude kameraad van Eton. `Turn a remote, dry, wild island into an Earthly Paradise', luidde de opdracht die Hugo Money-Coutts van Tennant kreeg. De avontuurlijke Money-Coutts maakte in Engeland vooral naam met zeiltochten naar Australië en autotochten door Centraal Afrika. Twee weken vliegles waren voor hem voldoende om zich te mengen tussen de landende jumbojets in het Caraïbisch gebied. Getooid met een ketting van haaientanden zorgt Money-Coutts dankzij de in het leven geroepen The Mustique Company voor nieuwe ontwikkelingen.

Het zelf aangelegde cricketveldje is voor Money-Coutts het aangewezen reepje land om zijn eenmotorige vliegtuigje aan de grond te zetten. Na deze test is de baan vrij voor de aanleg van Mustique Airport, tot op heden niet veel meer dan een houten hut met een weegschaal. In de daarop volgende dertig jaar groeit Mustique uit tot een papparazzi-vrij eiland voor de rich and famous. De riante villas in een veelheid aan stijlen komen via een ballotagesysteem in handen van een uitverkoren volkje. Als Mick Jagger verneemt dat er op Mustique op het strand thee wordt geserveerd door butlers met witte handschoenen kan hij zijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen. Ook de half in zee op steigers gebouwde Basils-bar, met zijn gelijknamige markante uitbater Basil Charles, vormt een grote lokker. Niet veel later laat Jagger op het eiland een huis bouwen.

Huiseigenaren wordt door de Mustique Company verplicht om een staf in dienst te nemen die zorg draagt voor de tuin en het onderhoud. Een groot aantal huisbezitters verhuurt zijn onderkomen voor een deel van het jaar. Spil van de house rental business is Jeannette Cadet. Haar huurprijzen variëren van 2.500 dollar tot 20.000 dollar per week. Ook het door David Bowie bewoonde Britannia Bay House en Jaggers Stargroves zijn beschikbaar. Huurders zijn mannen als Pierce Brosnan, Bill Gates en, voordat hij er zijn eigen paleis liet neerzetten, mode-ontwerper Tommy Hilfiger. Volgens Cadet is het eiland vooral beroemd om alles wat het niet heeft: geen golf course, geen winkels en geen uitgaansleven. Daar staat volgens haar wel het nodige tegenover: ,,We offer guests one of the most secure and pristine islands in the world.''