Economie verdringt spelvreugde

Weinig sportsucces, maar wat wil je? In Nederland wordt de topsportcultuur slechts om economische motieven nagestreefd.

OP HET PODIUM van het Amsterdamse Nieuwe de la Mar-theater neemt cabaretier Freek de Jonge een lange aanloop en in gedachten keert het publiek terug naar die gedenkwaardige zomeravond in de Arena. ,,Het hoofd moet leeg zijn bij het nemen van een strafschop'', doceert de komiek in zijn oudejaarsshow De Gillende Keukenmeid. En droogjes: ,,Dat is de meeste voetballers toch wel toevertrouwd.''

Zo niet de spelers van het Nederlands elftal in de zo dramatische halve finale van het door Nederland en België georganiseerde Europees kampioenschap tegen Italië. Maar liefst zes keer mocht Oranje een strafschop nemen, twee keer in de reguliere speeltijd en nog eens viermaal in de noodzakelijke serie penalty's toen het na 120 minuten 0-0 was gebleven. Vijf keer ging het mis en het waarom valt niet te beredeneren.

Nederlandse spelers wanen zich verheven boven Italiaanse, Duitse en zelfs Portugese antivoetballers. Maar het Nederlands elftal bewijst ook in de moeizame kwalificatiereeks voor het WK in 2002 dat de Hollandse school al lang niet meer als het rolmodel van de jaren zeventig fungeert. In de Europese bekertoernooien mag alleen PSV nog meedoen aan de UEFA Cup, dat sinds de invoering van de Champions League de tweede divisie van Europa is geworden.

Bijna wanhopig maakt het Nederlandse voetbal ruim baan voor de jeugd, nu zelfs de subtop al naar het buitenland is verhuisd. Op een afgeroomde markt mag de liefhebber zich verlustigen aan de Ajacieden Van der Vaart en Van der Gun, de Groningse puber Robben en een Braziliaan met een vals Portugees paspoort in dienst van Feyenoord. Juist deze Leonardo illustreert tegen wil en dank hoe zeer het spelende kind in het internationale voetbal het slachtoffer is geworden van de moderne slavenhandel.

De beelden in de Ajax-film Daar hoorden zij Engelen zingen, over de nietsontziende jacht op talent in Afrika en het drillen van kleine kinderen die in het Ajax-systeem moeten worden geperst, weerhouden je als vader bijna ervan om je zoon nog te laten voetballen. Uitgerekend tijdens het eeuwfeest demonstreerde Ajax hoe een beursgenoteerde onderneming zich van de bron heeft laten vervreemden. De koerswijziging onder leiding van de nieuwe trainer Co Adriaanse kon wel eens te laat zijn ingezet, want in de Arena ruikt het nog steeds niet naar voetbal.

In scherp contrast met de teloorgang van de voetbalsport stonden de Nederlandse successen tijdens de Olympische Spelen in Sydney. De Nederlander kan dus toch nog winnen, orakelde het NOC*NSF, waar technisch-directeur Joop Alberda zich bijna de status van een cultfiguur heeft aangemeten. Ruim 30 miljoen gulden werd geïnvesteerd in de olympische missie om Nederland de topsportcultuur te geven die het vooral om commerciële motieven nastreeft. De economische spin-off van de successen in Sydney wordt nu vertaald in een door Philips gesponsord zwemteam, het creëren van profhockey en het organiseren van grote evenementen. Al geeft staatssecretaris Vliegenthart toe dat de Spelen voor Nederland een maatje te groot zijn.

In de euforie over de Nederlandse triomftocht werd gemakshalve over het hoofd gezien dat bijna de helft van de 25 medailles werden verzameld door drie atleten, de zwemfenomenen Pieter van den Hoogenband en Inge de Bruijn en de fietsende diva Leontien van Moorsel. De Nederlandse paarden deden een duit in het zakje, de roeiers en de zeilers verzamelden eremetaal, maar andere medailles dienden te worden gerelativeerd. Het mannenhockeyteam was al op weg naar de uitgang, toen Duitsland zo vriendelijk was om van Engeland te verliezen, waardoor het Nederlands elftal alsnog het goud kon ophalen. En het brons voor de vrouwen bewees slechts dat het vrouwenhockey de status van folklore nog niet is ontgroeid. In de atletiek is Nederland het lachertje van Europa, in het judo ontsnapte alleen Mark Huizinga aan de malaise.

Om dan toch in te zetten op 45 medailles bij de Spelen van Athene in 2004, zoals Alberda zich namens het NOC*NSF liet ontvallen, is slechts een voorbeeld van misplaatst chauvinisme. Alsof alleen een bedrag van 60 miljoen gulden het beoogde budget voor de volgende olympische cyclus garant staat voor een nieuwe successtory. Alsof het ontwikkelen van nieuwe modellen en structuren om het talent te laten gedijen niet voorbijgaat aan het grootste probleem van de Nederlandse sport. Langzaam maar zeker wordt het spelende kind gewurgd in een sportklimaat, waarin het economische belang van zijn talent het koesteren van de pure spelvreugde allang heeft verdrongen.