Vaticaan moet zijn aanspraak op de waarheid opgeven

Kerstmis lijkt de hele wereld even te doordrenken met uit het christendom afkomstige opvattingen, zoals onder andere blijkt uit allerhande kersttoespraken. Dit mag er niet de ogen voor sluiten dat samenwerking tussen religies meer dan ooit is geboden, zeker in multiculturele samenlevingen. De houding van de rooms-katholieke kerk is hierbij echter niet behulpzaam, meent Herman Philipse.

Kan een godsdienst in dialoog treden met een andere religie en toch aan de eigen geloofsinhoud vasthouden? Dit is de gordiaanse knoop die kardinaal Ratzinger heeft doorgehakt in de recente verklaring `Dominus Iesus', gepubliceerd door de Congregatie van de Geloofsleer te Rome. De katholieke kerk is verplicht tot een dialoog met andere godsdiensten,stelt Ratzinger, omdat ze in Christus een openbaring heeft ontvangen van een universele waarheid die voor alle mensen bestemd is.

Het is verleidelijk met een schouderophalen aan de `declaratio' voorbij te gaan, want de kardinaal doet weinig meer dan de katholieke clerus herinneren aan traditionele Roomse leerstellingen. Toch is `Dominus Iesus' van belang. Ten eerste wijst de verklaring op een dieperliggend wijsgerig vraagstuk, dat, als het niet wordt opgelost, tikt als een tijdbom onder elke poging tot toenadering tussen de wereldgodsdiensten. Ten tweede zal de noodzaak van een interreligieuze dialoog in de loop van de 21ste eeuw alleen maar toenemen. Verscheidene problemen waarmee de mensheid nu geconfronteerd wordt, zoals overbevolking en de voortschrijdende verwoesting van de aardse habitat, of de vraag hoe gelovigen van verschillende denominaties vreedzaam kunnen bestaan in multiculturele samenlevingen, zijn onoplosbaar zonder constructieve samenwerking tussen de godsdiensten, met name op het gebied van geboortebeperking.

`Dominus Iesus' staat zo'n samenwerking in de weg en het is niet verwonderlijk dat de verklaring irritatie heeft gewekt bij religieuze leiders van joodse, protestantse en moslim-gemeenschappen. In zijn poging de beschadigde verhoudingen te herstellen heeft paus Johannes Paulus II gezegd dat het document verkeerd was uitgelegd. De katholieke positie zou niet getuigen van arrogantie tegenover andere religies en het heil zou allerminst ontzegd worden aan niet-christenen. De paus heeft zowel gelijk als ongelijk, afhankelijk van het perspectief dat men kiest.

Het probleem van de interreligieuze dialoog speelt vooral bij monotheïstische openbaringsgodsdiensten. Enerzijds vooronderstelt een open dialoog gelijkwaardigheid van de gesprekspartners en hun religies. Anderzijds onderscheiden monotheïstische openbaringsgodsdiensten zich van elkaar doordat de ene godsdienst iets als waar beschouwt dat de andere verwerpt.

Er zijn twee uitwegen uit deze aporie die het Vaticaan in de verklaring `Dominus Iesus' van de hand wijst. De eerste uitweg is religieus relativisme. Het relativisme relativeert pretenties van geloofswaarheid door hun geldigheid te beperken tot gemeenschappen van gelovigen. Iets is niet waar tout court; iets is alleen waar voor bepaalde groepen mensen. Zo is het waar voor de katholiek dat Jezus de incarnatie is van God. Voor de moslim is dat niet waar, want moslims beschouwen Jezus slechts als een profeet. De relativist stelt dat beiden gelijk kunnen hebben ook al geloven ze tegenstrijdige dingen. Immers, wat waar is voor de één hoeft nog niet waar te zijn voor de ander. Godsdiensten zijn dus gelijkwaardig omdat ze allemaal even waar zijn, ook al geldt die waarheid slechts voor degene die erin gelooft.

Kardinaal Ratzinger trekt regelmatig ten strijde tegen het religieuze relativisme en hier heeft hij het wijsgerige gelijk aan zijn zijde. Het relativisme is een pervers spelletje met het woordje `waar'. Dat een doctrine `waar' bepaalde mensen kan niet méér betekenen dan dat deze mensen die doctrine geloven. Maar daaruit volgt niet dat op punten waar de ene godsdienst contradictoir is aan het andere, aanhangers van beide godsdiensten gelijk zouden kunnen hebben. Dit is logisch uitgesloten, want van twee onderling contradictoire uitspraken kan er ten hoogste één waar zijn. Het relativisme is dus boerenbedrog en het sneuvelt op logische gronden.

De tweede uitweg is religieus fallibilisme. Fallibilisme is de visie dat elke theorie feilbaar is, een inzicht dat in de wetenschapsfilosofie algemeen wordt aanvaard op grond van een simpele gedachtengang. Wetenschappelijke wetten en theorieën gelden voor een open klasse van verschijnselen, terwijl de verzameling van de beschikbare empirische data op elk moment eindig is. Daarom is het in beginsel altijd mogelijk dat een wetenschappelijke theorie die we nu aanvaarden in de toekomst verworpen zal worden op grond van nieuwe empirische gegevens. De houding van de wetenschapsman ten opzichte van een theorie is dus nooit dogmatisch. Hij zal concurrerende theorieën beschouwen als potentieel gelijkwaardige kandidaten in een competitie die nooit afgesloten is. Het godsdienstige fallibilisme draagt deze visie over op religies. Kunnen we niet zeggen dat alle godsdiensten slechts eenzijdige en onvolmaakte perspectieven op het goddelijke uitdrukken? Dan wordt een dialoog of gesprek tussen religies zinvol als een gemeenschappelijke zoektocht naar betere religieuze doctrines, waarin de godsdiensten elkaar kunnen corrigeren en aanvullen.

Evenals het religieuze relativisme strandt het godsdienstige fallibilisme op een wijsgerige moeilijkheid. In de wetenschap bestaat er een algemeen aanvaarde onderzoekspraktijk voor het produceren en verifiëren van empirische data. Bovendien zijn wetenschappelijke onderzoekers het eens over het uiteindelijke criterium van theoriekeuze: de theorie die op een gegeven tijdstip de beste verklaringen en voorspellingen van empirische data verschaft, is op dat moment de beste theorie. Bij godsdiensten is de situatie geheel anders. Het is ten enen male onduidelijk waarin een gemeenschappelijke religieuze onderzoekspraktijk zou moeten bestaan en de godsdiensten zijn het principieel oneens over het criterium van theoriekeuze.

Om dat laatste punt gaat het. Welk criterium hanteren monotheïstische openbaringsgodsdiensten voor de keuze van hun religieuze doctrine? Paus Johannes Paulus II spreekt in dit verband van een `waarheidscriterium' (Encycliek `Fides et Ratio') omdat volgens het Vaticaan het criterium dat de katholieke kerk voor theoriekeuze hanteert de waarheid van de gekozen doctrine garandeert. Dit criterium luidt dat wat in de bijbel (met name het Nieuwe Testament) staat, absoluut waar is.

In `Dominus Iesus' beklemtoont Ratzinger dat de openbaring in Christus, zoals verwoord in het Nieuwe Testament, de definitieve en volledige waarheid bevat. Gelovigen mogen geen enkele andere openbaring verwachten voordat ze in het hiernamaals God zelf zullen aanschouwen. Daarom is het religieuze fallibilisme volgens het Vaticaan onjuist en Rome wijst dus de koran als openbaring af. Voorts is het katholicisme een universele waarheid die voor iedereen geldt, want Christus is als incarnatie Gods de enig mogelijke redding voor alle mensen. Het is op dergelijke dogmatisch-religieuze gronden dat de Congregatie voor de Geloofsleer zowel relativisme als fallibilisme van de hand wijst.

Wat impliceert deze positie van de congregatie, die men religieus absolutisme kan noemen, voor de mogelijkheid van een interreligieuze dialoog? Ze brengt een opvatting van deze dialoog met zich mee die op zijn zachtst gezegd merkwaardig is, ook al volgt die met ijzeren consequentie uit het gekozen uitgangspunt. Omdat de rooms-katholieke kerk meent de absolute religieuze waarheid in pacht te hebben, kan de dialoog er nooit toe leiden dat ze haar standpunt opgeeft of aanpast. De dialoog kan er alleen toe dienen andere religies van de waarheid van het katholicisme te overtuigen. Daarom ziet kardinaal Ratzinger de interreligieuze dialoog geheel in het kader van de missie van de kerk om de wereld te evangeliseren.

Getuigt dit van arrogantie? Vanuit het `binnen-perspectief' van het katholieke standpunt is van arrogantie geen sprake. De kerk is alleen maar de nederige ontvanger en behoeder van de christelijke waarheid. Ze rechtvaardigt het katholieke waarheidscriterium, namelijk met het argument dat God zichzelf in Christus heeft geopenbaard en dat de Heilige Geest de auteurs van de bijbel heeft geïnspireerd. God zelf, en niet de katholieke mens, is dus de auteur van deze waarheid en daarom is de waarheid absoluut. De mens moet haar aanvaarden in de gehoorzaamheid van het geloof. De kerk erkent natuurlijk dat andere religies ook waarheid kunnen bevatten en zegt met demonstratieve ruimdenkendheid dat ze die waarheid niet verwerpt (`Nostra Aetate'). Ook erkent ze dat gelovigen van andere religies het heil kunnen ontvangen. Maar deze waarheid en dit heil zijn bij nader inzien steeds de christelijke waarheid en het heil door Christus, dat God, als hij wil, ook aan niet-christenen kan geven.

Vanuit het `buiten-perspectief' van de niet-katholiek is sprake van mateloze arrogantie van een organisatie die meent de absolute waarheid in pacht te hebben. Maar deze externe zienswijze wordt veroorzaakt doordat de niet-katholiek het katholieke waarheidscriterium verwerpt. De moslim, bijvoorbeeld, beschikt over een waarheidscriterium dat onverenigbaar is met dat van de katholieke kerk, ofschoon het er sterk op lijkt: alles wat in de koran staat is absoluut waar. De twee waarheidscriteria zijn onverenigbaar omdat de bijbel en de koran elkaar op vele punten tegenspreken. In de ogen van de katholiek is de moslim dus even arrogant als de katholiek is in de ogen van de moslim.

Dit betekent dat de dialoog tussen religies uiteindelijk stukloopt op een dispuut over het te kiezen waarheidscriterium. Is een dergelijk dispuut oplosbaar? Kan men aantonen dat het ene waarheidscriterium beter is dan het andere? De huidige paus laat zich erop voorstaan dat hij een filosoof-paus is. Maar in plaats van zijn verstand te verduisteren door het lezen van katholieke wijsgeren en wazige fenomenologen, had hij beter wat solide heidens gedachtengoed tot zich kunnen nemen. Van belang is hier met name wat de Griekse scepticus Pyrrho van Elis (ongeveer 365-275 voor Christus) volgens de overlevering van Sextus Empiricus over het waarheidscriterium heeft gezegd. Zodra er een twist ontstaat met betrekking tot het waarheidscriterium, zo meende Pyrrho, ontstaat een onoplosbare moeilijkheid. Want men kan de betrouwbaarheid van een waarheidscriterium alleen aantonen op grond van argumenten die zelf waar zijn. Maar om vast te stellen of de argumenten waar zijn, heeft men het waarheidscriterium al nodig.

De moeilijkheid wordt treffend geïllustreerd door het argument dat Ratzinger aanvoert voor het katholieke waarheidscriterium. Wat Jezus zei en wat in de bijbel staat is waar, luidt dit argument, omdat Jezus en de schrijvers van het Nieuwe Testament geïnspireerd waren door de Heilige Geest en dus uitdrukking gaven aan het woord Gods. God zelf is de auteur van de bijbel en daarom is de bijbel absoluut waar. Waarom zou men echter geloven dat God zelf de auteur van de bijbel is? Antwoord: omdat het in de bijbel staat. En zo is de cirkel rond.

Elk openbaringsgeloof berust op een religieus waarheidscriterium. De verschillende waarheidsscriteria sluiten elkaar uit en het is onmogelijk aan te tonen dat het ene criterium beter is dan het andere. Ergo: elk religieus openbaringsgeloof is irrationeel en het is puur toeval welke religie men aanhangt: meestal de religie waarmee men op jeugdige leeftijd werd geïndoctrineerd. Omdat in een interreligieus gesprek de deelnemers uiteindelijk zullen vasthouden aan hun eigen waarheidscriterium, is dit gesprek ten diepste een pseudogesprek tussen geestelijke autisten.

Een echte dialoog tussen monotheïstische openbaringsgodsdiensten zal altijd schipbreuklijden op het probleem van het waarheidscriterium.

Er is maar één manier om het probleem van het waarheidscriterium uit de weg te ruimen. Openbaringsgodsdiensten zouden de aanspraak op de waarheid van hun religie radicaal moeten opgeven en de verhalen over het bovennatuurlijke die hun traditie bepalen moeten nemen voor wat ze zijn: mythen die stammen uit een vroegere cultuurfase van de mensheid en die ons soms nog beroeren omdat ze getuigen van menselijke verlangens en tekortkomingen. Het is onwaarschijnlijk dat het Vaticaan deze stap ooit zal zetten, ofschoon vele protestantse auteurs een eind in de goede richting gaan. Laten de Nederlandse bisschoppen dus eens aan onze multiculturele bevolking uitleggen hoe ze zich een constructieve dialoog met andere religies voorstellen zolang ze vasthouden aan het autistische waarheidscriterium van de kerk van Rome.

Herman Philipse is hoogleraar in de wijsbegeerte aan de Universiteit te Leiden

Paus

De foto bij het artikel Vaticaan moet zijn aanspraak op de waarheid opgeven (in de krant van woensdag 27 december, pagina 6) was niet gemaakt bij het uitspreken van de kerstboodschap van paus Johannes Paulus II, maar tijdens de zegen Urbi et Orbi.