Ontruiming

In de erker van de halflege etage aan de Bergselaan drong van buiten het geluid tot mij door waarmee de ombouw van het tweepersoons-opklapbed in de wagen van de Gemeentelijke Reinigingsdienst werd verbrijzeld. Lang geleden, toen we voor de laatste keer waren verhuisd, had mijn moeder het uit praktische overwegingen, zoals ruimtebesparing, aangeschaft – een lelijk soort wandmeubel dat in en uit kon worden geklapt en overdag achter een dichtgeschoven gordijn schuilging.

Ik had het een verraad gevonden aan het `grote bed', zoals het altijd door ons was genoemd, dat in alle tussenkamers had gestaan van de etages die wij in Rotterdam hadden bewoond. Sinds mijn vroegste kinderjaren was het een vertrouwd beeld geweest, met de witte gehaakte sprei erover en de plaat met de zilveren engel erboven, die blazend op een bazuin de boodschap `Vrees niet, geloof alleenlijk' verkondigde.

Zoals te doen gebruikelijk in haar tijd, had mijn moeder het bed bij haar huwelijk van haar ouders meegekregen, en ik was erin geboren en op mijn achtste jaar bijna in doodgegaan toen ik difterie kreeg en na uit een dagenlange crisis te zijn ontwaakt de blauwe ballon zag die aan een touwtje boven het voeteneind zweefde.

Zestig jaar later reisde ik na de begrafenis van mijn moeder – zij was 97 geworden en had mijn vader dertien jaar overleefd – nog een maandlang op en neer tussen mijn huidige woonplaats Amsterdam en mijn geboortestad om het huis aan de Bergselaan te ontruimen. Terwijl familie, vrienden en kennissen de restanten van het meubilair en de huishoudelijke voorwerpen die mijn moeder hun had toegezegd kwamen weghalen, maakte ik de kasten leeg. In de hangkast hingen de kleren die al in geen jaren meer waren vernieuwd en het door mottenlarven aangetaste bontjasje, waarop zij zo zuinig was geweest dat ze het zelden had gedragen, en op de planken van de legkasten trof ik de grotendeels ongebruikte, met lintjes samengebonden lakens, slopen en tafelkleden aan die nog van haar uitzet afkomstig waren en het incomplete, hier en daar beschadigde eetservies en glaswerk. Alleen het gebakstel, de koekschaal van ijsglas, de geslepen advocaatglaasjes en de lange-lijskopjes, die uitsluitend op verjaardagen te voorschijn kwamen en daardoor de stemming des te feestelijker maakten, hield ik voor mijzelf, evenals het poëziealbum, het ansichtkaartenalbum en de `zijdedoos' van Japans lakwerk met ingelegde waaiers.

Het poëziealbum met gedroogde varenblaadjes bevatte hoofdzakelijk de gedichten die mijn vader er gedurende hun verlovingstijd in had geschreven, en in het grote, bijbeldikke album ansichtkaarten met de paarse tulp op het omslag waren de honderden stadsgezichten en fantasietaferelen bewaard gebleven die mijn moeder vanaf haar veertiende jaar, toen ze in de Warmoeziersstraat woonde, had verzameld. Gezien de poststempels en de zegels van één en anderhalve cent dateerden de oudste kaarten uit 1901 en 1902. Merkwaardig genoeg vermeldde de achterkant altijd alleen de naam van de geadresseerde en had de afzender zijn naam steevast onder de afbeeling op de voorzijde geschreven, meestal met een paar regels tekst; zij kreeg de hartelijke groeten van ooms, tantes en vriendinnen die een dagje aan zee of in een bosrijke streek vertoefden en die allengs werden vervangen door een omvangrijke schaar bewonderaars: `Mejuffrouw, dat U deze kaart in gezondheid moogt ontvangen', `Ik zou U zoo graag nog eens willen zien' en `Ontmoet ik U hedenavond bij de Noorderbrug op denzelfden tijd?' – een wens die toenmaals verwezenlijkt kon worden dankzij de twee postbestellingen per dag. Van een zekere Tommie (kennelijk een varensgezel) waren er opvallend veel kaarten uit alle hoeken van de wereld, met duidelijke sporen van afgeweekte postzegels, die vermoedelijk in de hongerwinter van '44-'45 als ruilmiddel voor voedsel waren gebruikt.

Even zeldzaam was de `zijdedoos' met lapjes en staaltjes van mijn moeders mooiste kleren uit de tijd dat zij nog een jonge vrouw was, zoals het goudbrokaat van haar bühnejapon, de abrikooskleurige blouse van taffetas en het ceriserode lint dat zij als meisje om een witte mousselinen jurk placht te strikken, waaruit later een kinderjurk voor mij was gemaakt die ik vele zomers met hetzelfde lint had gedragen.

De dag dat de woning leeg en schoon moest worden opgeleverd verschenen de laatste gegadigden. Het waren kennissen van kennissen die hadden aangeboden de overgebleven zaken mee te nemen waarop hun voorgangers geen prijs hadden gesteld. Zo zag ik een mij geheel onbekend echtpaar met taxerende blikken door de onttakelde vertrekken lopen, tot hun keuze na enig overleg op de lage ronde tafel viel die als `salontafel' in de `mooie kamers' van weleer had dienstgedaan.

De overige reflectanten lieten het afweten, behalve de twee minvermogende vrijgezellen, zoals ze waren aangekondigd. Binnen een minuut stond een van hen boven op de oude trapleer die ik op het balkon over het hoofd had gezien en schroefde de roetjes en roeden los waaraan de vitrages en overgordijnen nog hingen, die hij in de uitgespreide armen van zijn metgezel liet vallen. Toen ze met trapleer en al, de keukentafel en keukenstoelen en het overgeschoten huisraad waren weggestommeld, inspecteerde ik ten overvloede de lege kamers met de verschoten plekken op het behang waar de schilderijen en de vele foto's van mij hadden gehangen.

Volgens afspraak zou ik de sleutels bij de sigarenwinkel op de hoek van de De Savornin Lohmanlaan afgeven, en terwijl ik de buitendeur dichtdeed zag ik dat ik vergeten was het emaillen plaatje met mijn vaders naam te laten verwijderen. Ik heb het als een bescheiden aandenken op de deurpost van ons laatste Rotterdamse huis achtergelaten.